ECLI:NL:CRVB:2010:BL7274
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1 september 2000
Appellante ontving sinds 1 december 1997 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde op basis van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie vast dat appellante vanaf augustus 2000 een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner. Dit leidde tot intrekking van de uitkering met ingang van 1 september 2000.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze intrekking ongegrond, waarna appellante in hoger beroep stelde dat de gezamenlijke huishouding pas vanaf 1 juni 2003 bestond. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van objectieve criteria, waaronder het hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse verzorging, reeds vanaf 1 september 2000 sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De Raad hechtte daarbij waarde aan verklaringen van appellante en haar partner, ook al waren deze deels afgelegd in een strafzaak tegen de partner. De wederzijdse zorg bleek uit gezamenlijke boodschappen, kostenverdeling en reparaties. Er waren geen dringende redenen om af te zien van intrekking. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering vanaf 1 september 2000 wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.