ECLI:NL:CRVB:2010:BL9062
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid en niet-voldoen referte-eis
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die de weigering van zijn WW-uitkering bevestigde. De rechtbank had geoordeeld dat appellant vanaf 28 november 2006 niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt, mede omdat hij niet aantoonbaar had gesolliciteerd en slechts kortstondig als werkzoekende was ingeschreven bij het CWI. Tevens voldeed appellant niet aan de referte-eis zoals gesteld in artikel 17 van Pro de WW, omdat hij onvoldoende arbeidsweken had voorafgaand aan zijn werkloosheid.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat appellant niet beschikbaar was voor arbeid vanaf 28 november 2006 en dat hij vanaf 24 september 2007 niet voldeed aan de referte-eis. De Raad stelt vast dat de stellingen van appellant in hoger beroep slechts een summiere herhaling zijn van eerdere argumenten en dat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigt het bestreden besluit van het UWV. Hierdoor blijft de weigering van de WW-uitkering in stand. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 18 maart 2010 door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid en niet voldoen aan de referte-eis.