Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BL9565

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-408 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek WUBO-toeslag wegens ontbreken directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld

Appellante, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in maart 2008 een toeslag aan op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Dit verzoek werd bij besluit van 27 augustus 2008 afgewezen en na bezwaar gehandhaafd.

Zij stelde dat zij bombardementen op Bandoeng had meegemaakt, tijdens een treinreis naar Semarang moest schuilen voor een luchtaanval, gewond raakte aan haar arm na de Japanse capitulatie en geïnterneerd was tijdens de Bersiap-periode. Echter, de Raad vond onvoldoende bewijs voor directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld zoals vereist in de Wet. Er was geen materiële schade of slachtoffers in haar directe omgeving vastgesteld, noch was duidelijk dat het kamp een interneringskamp was.

De Raad concludeerde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij getroffen was door oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend op grond van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.

Uitspraak

09/408 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 18 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening
18 december 2008, kenmerk BZ 8672, JZ/F60/2008, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010. Namens appellante is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 2008 een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag op grond van artikel 19 van Pro de Wet en voorzieningen. Hierop is bij besluit van 27 augustus 2008 afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.
2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.
2.1. Door en namens appellante zijn gebeurtenissen naar voren gebracht die naar haar mening tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet zouden moeten leiden. Dit betreft, kort samengevat:
- het meemaken van bombardementen op Bandoeng tijdens de Japanse bezetting;
- het moeten schuilen vanwege een luchtaanval tijdens een treinreis naar Semarang;
- het gewond raken aan haar arm vlak na de Japanse capitulatie;
- internering tijdens de Bersiap-periode.
Zij kan zich van deze gebeurtenissen zelf niets meer herinneren, maar heeft deze samen met haar zuster, [naam zuster], meegemaakt. Appellante herinnert zich alleen nog de rit in de truck naar het kamp.
2.2. Verweerster heeft ook in beroep het standpunt gehandhaafd dat directe betrokkenheid van appellante bij de bombardementen op Bandoeng en bij een luchtaanval tijdens de treinreis naar Semarang niet is komen vast te staan, dat niet is komen vast te staan dat appellante tijdens de Bersiap-periode direct betrokken is geweest bij ongeregeldheden als bedoeld in de Wet en evenmin dat het kamp waar appellante tijdens de Bersiap-periode heeft verbleven een interneringslocatie was.
2.3. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:
Degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode aan ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:
- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;
- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;
- ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.
2.4. De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellante naar voren is gebracht geen aanleiding gevonden het bij het bestreden besluit door verweerster ingenomen standpunt onjuist te achten. Appellante heeft aangegeven dat zij en haar zuster tijdens genoemde bombardementen en de luchtaanval dekking moest zoeken, maar heeft geen melding gemaakt van materiële schade in haar directe nabijheid en/of slachtoffers in haar directe omgeving bij die gebeurtenissen. Onder die omstandigheden is geen sprake van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld in de zin van artikel 2 van Pro de Wet. Dat appellante direct betrokken is geweest bij ongeregeldheden tijdens de Bersiap-periode is niet komen vast te staan, nu niets bekend is over de omstandigheden waaronder appellante gewond is geraakt aan haar arm. Met betrekking tot het verblijf van appellante in het kamp tijdens de Bersiap-periode zijn geen nadere gegevens bekend geworden. Nu appellante heeft aangegeven dat dit kamp werd bewaakt door Japanners, kan de Raad verweerster volgen in het standpunt dat ervan moet worden uitgegaan dat dit een opvangkamp is geweest en geen interneringskamp. Mede gezien het eigen relaas van appellante en dat van haar zuster, heeft de Raad geen aanleiding gevonden het door verweerster verrichte onderzoek onvolledig te achten.
2.5. Gezien het vorenstaande is onvoldoende gebleken dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wet en moet het beroep van appellante ongegrond worden verklaard.
2.6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD