ECLI:NL:CRVB:2010:BL9702

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-407 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WUBOArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WUBO-uitkering wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld

Appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO). Haar aanvraag werd in augustus 2008 afgewezen en deze afwijzing werd gehandhaafd na bezwaar. In beroep stelde zij dat zij tijdens de Japanse bezetting bombardementen op Bandoeng had meegemaakt, moest schuilen tijdens een luchtaanval op een treinreis naar Semarang, een hoofdverwonding had opgelopen tijdens de Bersiap-periode en geïnterneerd was geweest.

De Raad overwoog dat onvoldoende was komen vast te staan dat appellante direct betrokken was bij de bombardementen of luchtaanval, noch dat haar hoofdverwonding was bevestigd door andere gegevens. Ook was niet gebleken dat het kamp waar zij verbleef een interneringskamp was; het kamp werd als opvangkamp beoordeeld. Het onderzoek van verweerster werd als voldoende en volledig beschouwd.

Gelet op deze feiten concludeerde de Raad dat appellante niet voldeed aan de criteria van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 maart 2010.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.

Uitspraak

09/407 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 18 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 18 december 2008, kenmerk BZ 8686, JZ/F60/2008, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010. Namens appellante is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in april 2008 een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering, een toeslag op grond van artikel 19 van Pro de Wet en voorzieningen. Hierop is bij besluit van 27 augustus 2008 afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.
2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.
2.1. Door en namens appellante zijn gebeurtenissen naar voren gebracht die naar haar mening tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet zouden moeten leiden. Dit betreft, kort samengevat:
- het meemaken van bombardementen op Bandoeng tijdens de Japanse bezetting;
- het moeten schuilen vanwege een luchtaanval tijdens een treinreis naar Semarang;
- het oplopen van een verwonding na het krijgen van een klap op haar hoofd in de tijd van de klopjachten in de Bersiap-periode;
- internering tijdens de Bersiap-periode.
2.2. Verweerster heeft ook in beroep het standpunt gehandhaafd dat directe betrokkenheid van appellante bij de bombardementen op Bandoeng en bij een luchtaanval tijdens de treinreis naar Semarang niet is komen vast te staan, dat voor de verwonding na het krijgen van een klap op het hoofd geen bevestiging is gekregen en dat niet is komen vast te staan dat het kamp waar appellante tijdens de Bersiap-periode heeft verbleven een interneringslocatie was.
2.3. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:
Degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:
- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;
- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;
- ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.
2.4. De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellante naar voren is gebracht geen aanleiding gevonden het bij het bestreden besluit door verweerster ingenomen standpunt onjuist te achten. Appellante heeft aangegeven dat zij tijdens genoemde bombardementen en de luchtaanval dekking moest zoeken, maar heeft geen melding gemaakt van materiële schade in haar directe nabijheid en/of slachtoffers in haar directe omgeving bij die gebeurtenissen. Onder die omstandigheden is geen sprake van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld in de zin van artikel 2 van Pro de Wet. Ten aanzien van de verwonding aan appellantes hoofd door een klap, is geen bevestiging uit overige gegevens gekregen, zoals een getuigenverklaring. Met betrekking tot het verblijf van appellante in het kamp tijdens de Bersiap-periode zijn geen nadere gegevens bekend geworden. Nu appellante heeft aangegeven dat dit kamp werd bewaakt door Japanners, kan de Raad verweerster volgen in het standpunt dat ervan moet worden uitgegaan dat dit een opvangkamp is geweest en geen interneringskamp. Mede gezien het eigen relaas van appellante, heeft de Raad geen aanleiding gevonden het door verweerster verrichte onderzoek onvolledig te achten.
2.5. Gezien het vorenstaande is onvoldoende gebleken dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wet en moet het beroep van appellante ongegrond worden verklaard.
2.6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD