ECLI:NL:CRVB:2010:BM0839
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs arbeidsongeschiktheid begin jaren 90
Appellant heeft een WAO-uitkering aangevraagd met het standpunt dat zijn arbeidsongeschiktheid begon in december 1990, vlak voor zijn vertrek uit Nederland naar Marokko. Hij baseert dit op medische verklaringen uit de jaren 2000 en receptvoorschriften vanaf april 1991. Het UWV heeft dit afgewezen wegens het ontbreken van objectiveerbare medische gegevens die de arbeidsongeschiktheid in die periode aantonen.
De Raad stelt dat bij meldingen van arbeidsongeschiktheid over een lange terugliggende periode het risico van onduidelijkheid omtrent de medische situatie voor rekening van appellant komt. De medische stukken die appellant overlegt bieden onvoldoende aanknopingspunten om het intreden van arbeidsongeschiktheid in de relevante periode aannemelijk te maken. De verklaringen van behandelend psychiaters zijn gebaseerd op latere anamnese en niet op directe medische observaties uit die tijd.
Verder blijkt uit onderzoek in 2005 dat appellant redelijk tot goed functioneert met medicatie, hetgeen het aannemelijk maken van arbeidsongeschiktheid in de beginperiode verder ondermijnt. Ook indien arbeidsongeschiktheid zou zijn vastgesteld, geldt dat een uitkering pas kan worden toegekend na onafgebroken 52 weken arbeidsongeschiktheid. De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.