ECLI:NL:CRVB:2010:BM2095

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3653 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bijzondere bijstand voor kosten verblijfsvergunning echtgenote

Appellant, een alleenstaande ouder die bijstand ontvangt op grond van de WWB, verzocht bijzondere bijstand voor kosten gerelateerd aan de aanvraag van een verblijfsvergunning voor zijn echtgenote, die niet rechtmatig in Nederland verblijft. Het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage wees deze aanvraag af, omdat de echtgenote geen rechtspersoon is voor bijstand en haar verblijf niet rechtmatig is.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelt vast dat de kosten aan de echtgenote moeten worden toegerekend en niet aan appellant. De omstandigheden, waaronder het feit dat de echtgenote niet rechtmatig verblijft, verhinderen het verlenen van bijstand.

De Raad ziet geen grond om de kosten toe te rekenen aan de noodzakelijke bestaanskosten van het eenoudergezin van appellant. Daarom is de weigering van bijzondere bijstand terecht. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijzondere bijstand voor de kosten van de verblijfsvergunning van de echtgenote.

Uitspraak

08/3653 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 april 2008, 07/3240 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 13 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J. Smit, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Smit. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontvangt sinds 31 mei 1996, met enkele onderbrekingen, bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. De echtgenote van appellant, die de Pakistaanse nationaliteit bezit, is vanuit Pakistan naar Nederland gereisd teneinde bij appellant te verblijven en hun kind te kunnen bezoeken, dat een operatie moest ondergaan.
1.2. Namens appellant zijn aanvragen ingediend voor bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35 van Pro de WWB in de kosten van rechtsbijstand en de legeskosten voor een verblijfsvergunning. Deze kosten zijn gemaakt ten behoeve van het aanvragen van een verblijfsvergunning door de echtgenote van appellant. Bij afzonderlijke besluiten van
24 november 2006 heeft het College deze aanvragen afgewezen.
1.3. Bij besluit van 26 maart 2007 heeft het College de tegen de besluiten van 24 november 2006 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen, onder meer, dat het hier gaat om aanvragen die betrekking hebben op een persoon die geen subject is van bijstand.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 26 maart 2007 ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit, kort gezegd, de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht.
3.2. De Raad stelt vast dat appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd voor kosten die verband houden met een door zijn echtgenote ingediende aanvraag tot het verlenen van een vergunning tot verblijf. De kosten hebben derhalve betrekking op de echtgenote en moeten aan haar worden toegerekend. Appellant heeft aangevoerd dat de echtgenote deze kosten heeft gemaakt teneinde bij appellant te kunnen verblijven en hun kind te kunnen bezoeken, dat toendertijd een zware operatie onderging. Deze omstandigheid neemt evenwel niet weg dat de kosten, vanuit een oogpunt van toepassing van de WWB, aan de echtgenote moeten worden toegerekend. Daarbij is van belang dat het feit dat de echtgenote niet rechtmatig in Nederland verblijft aan het verlenen van bijstand aan appellant en zijn echtgenote als gehuwden in de weg staat. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat de onderhavige kosten - mede - tot de noodzakelijke bestaanskosten van (het eenoudergezin van) appellant zouden behoren. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het College de verzochte bijzondere bijstand terecht heeft geweigerd.
3.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2010.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
JL