ECLI:NL:CRVB:2010:BM2476
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- K.J. Kraan
- A.J. Schaap
- Rechtspraak.nl
Garantieregeling vervroegd uittreden voor voormalige Lisv-medewerkers niet correct toegepast
Appellanten, voormalige medewerkers van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), maakten bezwaar tegen besluiten van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarin hun aanspraak op een garantieregeling voor vervroegd uittreden werd beperkt. De regeling was bedoeld om hen niet slechter te stellen dan collega’s die bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in dienst waren gebleven.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, stellende dat appellanten geen belang meer hadden bij de regeling vanwege wijzigingen in het pensioenstelsel per 1 januari 2006. De Raad oordeelt echter dat de rechtbank ten onrechte het belang van appellanten heeft ontkend en dat een individuele beoordeling vereist is om de gevolgen van de pensioenwijzigingen te bepalen.
De Raad stelt dat de minister nieuwe besluiten heeft genomen met de bestreden besluiten van 12 juni 2006, die inhoudelijk niet kunnen worden gevolgd. De garantieregeling dient in overeenstemming met de geest ervan te worden toegepast, waarbij appellanten gelijk moeten worden behandeld als waren zij in dienst van het Uwv. De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en de besluiten, verklaart de beroepen gegrond en draagt de minister op nieuwe besluiten te nemen. Tevens veroordeelt de Raad de minister in de proceskosten.
Uitkomst: De beroepen tegen de besluiten van 12 juni 2006 worden gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen.