ECLI:NL:CRVB:2010:BM3284
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- E.J.M. Heijs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande sinds 1992. Na een onderzoek naar het lage waterverbruik op het opgegeven adres werd vastgesteld dat appellant sinds 2001 een gezamenlijke huishouding voert met appellante, hetgeen niet was gemeld. Het College trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat appellant de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en dat hij niet bekend was met het begrip gezamenlijke huishouding, waardoor de verklaring niet betrouwbaar zou zijn en de inlichtingenverplichting niet kon worden nagekomen.
De Raad oordeelt dat de verklaring van appellant tegenover de Sociale Dienst als juist mag worden aangenomen, mede gelet op zijn langdurig verblijf in Nederland, de bevestiging door waterverbruik, huisbezoeken en verklaringen van buurtbewoners. Ook is vastgesteld dat appellant geen melding heeft gemaakt van de gezamenlijke huishouding, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormt. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.