ECLI:NL:CRVB:2010:BM3597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- H.G. Rottier
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos na betrokkenheid bij ontvreemding shag
Appellant, werkzaam als logistiek medewerker sinds 1978, werd op 2 juni 2006 ontslagen wegens dringende reden nadat hij samen met twee collega’s betrokken was bij de ontvreemding van 450 pakjes shag. Het UWV weigerde daarop een WW-uitkering per die datum, wat door appellant werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de kantonrechter gemotiveerd had vastgesteld dat er sprake was van een dringende reden en dat het UWV geen nader onderzoek hoefde te verrichten.
In hoger beroep stelde appellant dat hij niet voor diefstal maar voor heling was veroordeeld en dat het UWV een nader onderzoek had moeten doen. De Raad overwoog dat het UWV zich mocht baseren op de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter, aangezien appellant geen feiten aanvoerde die nader onderzoek rechtvaardigden. De kwalificatie van het gedrag als diefstal of heling deed niet af aan het feit dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn handelen beëindiging van het dienstverband tot gevolg kon hebben.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee blijft de weigering van de WW-uitkering in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na betrokkenheid bij ontvreemding van shag.