ECLI:NL:CRVB:2010:BM3600
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- K.J. Kraan
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontzegging WW-uitkering wegens niet voldoen aan weken-eis
Appellant, een internationaal chauffeur, vroeg op 3 december 2007 een WW-uitkering aan. Het UWV ontzegde hem deze uitkering omdat hij niet voldeed aan de voorwaarde dat hij in de 36 weken voorafgaand aan zijn werkloosheid in ten minste 26 weken arbeid had verricht. De referteperiode werd vastgesteld van 1 augustus 2005 tot 3 december 2007, waarbij rekening werd gehouden met een ziekteperiode van 25 weken.
Appellant stelde dat hij vanaf 9 mei 2005 onafgebroken werkte, maar kon niet aantonen dat hij tussen 1 augustus 2005 en 17 oktober 2005 daadwerkelijk arbeid had verricht. De door hem overgelegde arbeidsovereenkomst uit die periode was onvoldoende onderbouwd en er was geen bewijs van loonbetalingen of werkzaamheden in die weken.
De Raad verwierp het beroep van appellant en oordeelde dat het niet aannemelijk was gemaakt dat hij aan de weken-eis van artikel 17 WW Pro voldeed. Ook het beroep op artikel 7:610b BW, dat een rechtsvermoeden inhoudt over de omvang van bedongen arbeid, bood geen soelaas. De Raad vond dat strikte toepassing van de WW niet in strijd was met het ongeschreven recht. De rechtbank had het besluit van het UWV terecht in stand gelaten, en de Raad bevestigde deze uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ontzegging van de WW-uitkering omdat appellant niet heeft aangetoond in voldoende weken arbeid te hebben verricht.