ECLI:NL:CRVB:2010:BM3614
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- H.G. Rottier
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van rechtmatigheid WW-uitkeringsbesluit ondanks bezwaar wegens vermeende onjuiste berekening
Appellant verzocht om nabetaling van WW-uitkering over 1985-1986, stellende dat het uitkeringspercentage onjuist was vastgesteld op 70% in plaats van 75%. Eerder bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. De rechtbank oordeelde dat het verzoek om terug te komen op het besluit van 1999 niet kon slagen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.
In hoger beroep stelde appellant dat de administratieve uitvoering onjuist was en dat hem was toegezegd dat de besluitvorming integraal zou worden heroverwogen. De Raad oordeelde dat het besluit van 1999 rechtens onaantastbaar is geworden en dat de administratieve bezwaren tijdig hadden moeten worden ingebracht. De vermeende toezegging betrof slechts een standaardreactie op het bezwaar.
De Raad bevestigde dat het verzoek niet gebaseerd is op nieuwe feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. Ook wees de Raad het verzoek om wettelijke rente en schadevergoeding af. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.