ECLI:NL:CRVB:2010:BM3676
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- A.J. Schaap
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Appellant, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in juli 2008 een aanvraag in voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan vervolging tijdens de Japanse bezetting.
Verweerster wees de aanvraag af omdat de omstandigheden waaronder appellant de bezetting heeft meegemaakt niet kwalificeren als vervolging in de zin van de Wuv. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar. In het daarop volgende beroep voerde appellant aan dat hij tijdens de bezettingsjaren vrijheidsberoving had ondergaan.
De Raad stelde vast dat verweerster een zorgvuldig onderzoek had verricht waarbij historische bronnen, familiegegevens en getuigenverklaringen van een voormalige buurvrouw en halfzuster van appellant waren betrokken. Dit onderzoek leverde geen bevestiging of ondersteuning van de door appellant gestelde vrijheidsberoving of andere maatregelen door de bezetter op grond van zijn Europese afkomst of gezindheid.
Ook de discretionaire gedragslijn van verweerster omtrent gelijkstelling met vervolgingsslachtoffers werd getoetst. Deze gedragslijn houdt in dat gelijkstelling alleen kan plaatsvinden indien een ouder van de aanvrager ten gevolge van vervolging tijdens de oorlogsjaren is omgekomen. Omdat de vader van appellant in 1947 overleed, achtte de Raad de gedragslijn niet onredelijk en passend binnen het wettelijke kader.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit in stand kan blijven en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een periodieke uitkering op grond van de Wuv wordt afgewezen.