ECLI:NL:CRVB:2010:BM3679

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1027 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33a WuboArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek uitbreiding vergoeding huishoudelijke hulp op grond van Wubo

Appellante, erkend als burger-oorlogsslachtoffer, had een vergoeding voor 4 uur huishoudelijke hulp per week toegekend gekregen. Zij verzocht om uitbreiding naar 8 uur per week, wat door verweerster werd afgewezen. De Raad toetste het medische advies waarop de afwijzing was gebaseerd, dat stelde dat appellante weliswaar beperkt is in zwaar huishoudelijk werk, maar nog lichte huishoudelijke werkzaamheden kan verrichten.

De Raad concludeerde dat het standpunt van verweerster goed gemotiveerd en voorbereid was, mede op basis van een geneeskundig advies en aanvullende sociale rapporten. Er was geen bewijs dat de observaties onjuist of onvolledig waren. Het beleid om meer dan 4 uur hulp toe te kennen alleen bij onvermogen tot licht huishoudelijk werk werd als acceptabel beoordeeld.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De Raad benadrukte dat de eerdere toekenning van 4 uur zonder medische toets aan personen van 70 jaar en ouder hieraan niet afdoet.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp naar 8 uur per week wordt gehandhaafd.

Uitspraak

09/1027 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 29 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 29 januari 2009, kenmerk BZ 8725, JZ/I/70/2009, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo), verder: bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2010. Namens appellante is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren in 1930 in het voormalige Nederlands-Indië, is bij besluit van 17 december 1997 erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Als zodanig is aan haar, voor zover hier van belang, bij besluit van 9 augustus 2001 een vergoeding voor maximaal 4 uur per week huishoudelijke hulp toegekend. Op 20 december 2007 is namens appellante onder meer uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp aangevraagd naar 8 uur per week. Op die aanvraag is afwijzend beslist bij besluit van 8 oktober 2008, welke afwijzing is gehandhaafd bij het bestreden besluit.
2. Namens appellante is in beroep aangevoerd dat zij zeer beperkt is in het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en dat zowel op grond van causale als niet-causale aandoeningen huishoudelijke hulp in een omvang van 8 uur per week voor haar medisch noodzakelijk is. Verder is naar voren gebracht dat onvoldoende maatwerk is verricht en dat ten onrechte niet in aanmerking is genomen wat appellante niet meer kan doen in de huishouding in plaats van te bezien wat zij wel nog kan.
3. Namens verweerster is het standpunt gehandhaafd dat appellante nog in staat is om lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten, zodat er geen aanleiding bestaat voor een vergoeding van méér uren huishoudelijke hulp dan de al toegekende 4 uren.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Blijkens de gedingstukken berust het standpunt van verweerster op een advies van een geneeskundig adviseur en arts G. Kho van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Dat advies is tot stand gekomen op basis van een in maart 2008 over de leefsituatie van appellante opgemaakt aanvullend sociaal rapport en rapporten van genoemde geneeskundig adviseur van 18 en 30 september 2008. Deze geneeskundig adviseur heeft met appellante gesproken in haar woning op 30 september 2008 en heeft informatie ingewonnen bij de huisarts. In dit advies is gedetailleerd weergegeven dat uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat appellante op grond van het geheel van haar gezondheidsklachten beperkingen ondervindt bij het zware huishoudelijk werk maar niet buiten staat is om lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. De door verweerster gehanteerde norm dat voor toekenning van meer dan 4 uur huishoudelijke hulp sprake moet zijn van het (ook) niet meer kunnen verrichten van licht huishoudelijk werk, heeft de Raad reeds meermalen acceptabel geacht.
4.2. De Raad acht het standpunt van verweerster op grond van het hiervoor vermelde medische advies naar behoren voorbereid en gemotiveerd. In de medische en sociale rapporten wordt uitgebreid ingegaan op de beperkingen die appellante ervaart bij het verrichten van huishoudelijk werk. In hetgeen namens appellante is aangevoerd is geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat de in deze rapporten opgenomen observaties onvolledig of onjuist zouden zijn. In die rapporten zijn ook de activiteiten genoemd die als licht huishoudelijk werk worden gezien en die appellante nog kon verrichten. Dit betreft werkzaamheden als afstoffen, koken, licht werk in de tuin, bed rechttrekken, was ophangen en licht ander schoonmaakwerk. Verweerster heeft dan ook op goede gronden geen aanleiding gezien om een vergoeding te geven voor méér uren dan de gebruikelijke 4 uren bij onvermogen om zwaar huishoudelijk werk te verrichten. Dat verweerster die 4 uren eerder al, op basis van de verruiming in artikel 33a van de Wubo en het gevoerde begunstigende beleid ten aanzien van personen van 70 jaar en ouder, zonder medische toets aan appellante had toegekend, doet hieraan niet af.
4.3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.
5. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. Lammerse.
HD