ECLI:NL:CRVB:2010:BM3680

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-918 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 Awbartikel 20 Wuvartikel 21 Wuv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Volledige vergoeding van geneesmiddel Celebrex bij vervolgingsslachtoffer

Appellant, een vervolgingsslachtoffer uit 1940-1945, vordert vergoeding van medische kosten voor het middel Celebrex en het voedingssupplement CarQ. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees deze declaraties deels af, stellende dat deze middelen niet medisch noodzakelijk zijn.

De Raad constateert dat het primaire besluit geen medisch advies bevatte, wat een ernstige tekortkoming is, maar deze is in bezwaar hersteld. Het bezwaar over kosten voor bemiddeling door een arts wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de primaire besluiten hierop niet ingingen.

De Raad bevestigt dat er geen voedingsopnamestoornis is die vergoeding van voedingssupplementen rechtvaardigt. Celebrex, een geneesmiddel voorgeschreven door de behandelend darmchirurg, wordt geacht medisch noodzakelijk te zijn. De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het weigert Celebrex te vergoeden en bepaalt dat appellant recht heeft op volledige vergoeding van dit middel. Het beroep wordt voor het overige ongegrond verklaard.

Uitkomst: Appellant krijgt volledige vergoeding van het geneesmiddel Celebrex op grond van de Wuv.

Uitspraak

09/918 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], Indonesië (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 29 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 5 januari 2009, kenmerk BZ 47946/48003/48009, JZ/L85/2009 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wuv).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2010. Appellant is daar niet verschenen, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1924, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat de nerveuze klachten en de darmklachten van appellant in het vereiste verband staan met de ondergane vervolging, en dat appellant aanspraak heeft op vergoeding van de ongedekte kosten van medische behandeling en medicijnen die met die klachten verband houden.
1.2. Bij besluiten van 24 juli 2008, van 7 augustus 2008 en van 12 augustus 2008 heeft de Nederlandse Ambassade te Indonesië namens verweerster deels afwijzend beslist op de door appellant ingediende declaraties voor kosten van medische behandeling en medicijnen. Na door appellant hiertegen gemaakt bezwaar heeft verweerster, overee-komstig medisch advies, die weigering bij het bestreden besluit gehandhaafd - voor zover nog van belang - ten aanzien van het middel CarQ en het middel Celebrex. Hiertoe is overwogen dat CarQ een voedingssupplement is en Celebrex een ontstekingsremmende pijnstiller, welke beide middelen niet medisch noodzakelijk zijn te achten in verband met de vervolgingsgerelateerde klachten. Ten aanzien van ook nog gestelde kosten van bemiddeling door de arts B. Tahapary is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de primaire besluiten hierop geen betrekking hadden.
1.3. In bezwaar en beroep heeft appellant aangevoerd dat Celebrex is voorgeschreven door de hem behandelend darmchirurg/specialist en daarom zonder meer voor vergoeding in aanmerking dient te komen. Verder is aangevoerd dat CarQ weliswaar is voorgeschreven door de hem behandelend cardioloog maar duidelijk verband hield met door zijn darmklachten veroorzaakte lichamelijke zwakte.
2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.
2.1. Voorop gesteld wordt dat de primaire afwijzingen van de onderhavige declaraties niet kenbaar berusten op een daarover uitgebracht medisch advies. Nu het hier gaat om een medische afweging had een zodanig advies niet mogen ontbreken. De Raad acht dan ook sprake van een ernstige tekortkoming. Nu dit gebrek in de daarop gevolgde bezwaarprocedure is hersteld, hoeft de Raad aan deze tekortkoming nu geen consequenties te verbinden. De Raad hecht er echter aan te benadrukken dat het uit bestuursrechtelijk oogpunt niet acceptabel is dat een betrokkene in bezwaar moet gaan teneinde een (kenbaar) zorgvuldige medische beoordeling van zijn aanvraag te verkrijgen.
2.2. De Raad stelt verder vast dat appellant in zijn onder 1.2 bedoelde declaraties wel melding heeft gemaakt van door de arts Tahapary aan hem verleende diensten en de daarmee gemoeide kosten. Niet duidelijk is geworden, ook niet ter zitting, waarom niettemin in de primaire besluiten hierop niet is ingegaan. Nu echter de gemachtigde van verweerster ter zitting uitdrukkelijk heeft toegezegd dat over die kosten spoedig alsnog een besluit zal worden genomen, ziet de Raad geen reden om het bestreden besluit in dit opzicht te vernietigen.
2.3. De Raad heeft eerder - in zijn uitspraak van 15 december 2005, 04/5768 WUV, LJN AU8541 - het standpunt van verweerster onderschreven dat in het algemeen het slikken van voedingsupplementen geen extra of bijzondere kosten met zich meebrengt als bedoeld in artikel 20 dan Pro wel artikel 21 van Pro de Wuv. Dit kan anders zijn indien sprake is van een voedingsopnamestoornis, maar daarvan is in het geval van appellant niet gebleken. De omstandigheid dat appellant lijdt onder aanhoudende darmklachten en daarvoor onder medische behandeling is, betekent op zich nog niet dat niet met, eventueel geselecteerde, gewone voedingsmiddelen het gewenste effect is te bereiken.
2.4. Anders oordeelt de Raad over het middel Celebrex. Nu dit middel specifiek is voorgeschreven door de appellant behandelend darmchirurg en hier sprake is van een geneesmiddel, behoeft in beginsel geen twijfel te bestaan over de causale medische noodzaak daartoe. Medische gegevens die duidelijk in andere richting wijzen zijn niet voorhanden. Ook in het terzake aan verweerster uitgebrachte, in algemene termen luidend advies van haar geneeskundig adviseur heeft de Raad die gegevens niet aangetroffen. In dit opzicht kan het bestreden besluit de rechterlijke toetsing dan ook niet doorstaan. De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de ingediende declaratie voor het middel Celebrex voor vergoeding op grond van de Wuv in aanmerking komt.
3. De Raad is, ten slotte, niet gebleken van kosten die op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond voor zover betreffende de in het bestreden besluit vervatte handhaving van de weigering de gedeclareerde kosten voor het middel Celebrex te vergoeden en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
Verklaart het bezwaar van appellant in zoverre gegrond;
Bepaalt dat appellant recht heeft op volledige vergoeding van dit middel;
Verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. Lammerse.
HD