ECLI:NL:CRVB:2010:BM3682

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-485 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WuboArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen aanspraak op periodieke uitkering wegens ontbreken oorzakelijk verband met oorlogsgeweld

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad waarin geen periodieke uitkering werd toegekend op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Hoewel erkend is dat appellante oorlogsgeweld heeft ondergaan en psychische klachten heeft die hebben geleid tot blijvende invaliditeit, werd geen verband gelegd tussen haar werkbeëindigingen en deze psychische klachten.

Appellante stelde dat haar rugklachten het gevolg waren van internering tijdens de oorlog en dat zij haar werkzaamheden in verschillende jaren heeft moeten staken vanwege deze klachten, wat recht zou geven op een periodieke uitkering. De Raad oordeelde echter dat er onvoldoende medische onderbouwing is om het verband tussen de rugklachten en het oorlogsgeweld aan te tonen. De medische adviezen wezen op een degeneratieve aandoening zonder oorzakelijk verband.

Verder is niet gebleken dat appellante haar werkzaamheden heeft moeten beëindigen vanwege psychische klachten gerelateerd aan het oorlogsgeweld. Daarom is op grond van artikel 7 Wubo Pro geen recht op een periodieke uitkering. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van oorzakelijk verband en geen recht op periodieke uitkering.

Uitspraak

09/485 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], Nieuw Zeeland (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 29 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 23 december 2008, kenmerk BZ 8722, JZ/I/70/2008, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo), verder: bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2010. Appellante is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Naar aanleiding van een (tweede) aanvraag van appellante in januari 2008 heeft verweerster bij besluit van 29 augustus 2008 erkend dat appellante oorlogsgeweld in de zin van de Wubo heeft ondergaan en zijn aan haar met ingang van 1 mei 2008 de toeslag op grond van artikel 19 van Pro de Wubo en verschillende voorzieningen toegekend. Aanvaard is dat de psychische klachten van appellante in verband staan met het oorlogsgeweld en dat deze hebben geleid tot blijvende invaliditeit. Appellantes nek-, rug- en maagklachten, darm-carcinoom, huidklachten en visusklachten achtte verweerster niet in verband staan met het oorlogsgeweld. Aan appellante is geen periodieke uitkering toegekend omdat verweerster van oordeel was dat de werkbeëindigingen van appellante in 1958, 1961, 1977 en na 1990 geen verband hielden met haar psychische oorlogsinvaliditeit. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het in dit geding bestreden besluit.
2. In beroep heeft appellante naar voren gebracht dat haar rugklachten wel een gevolg zijn van de internering tijdens de oorlog en dat zij haar werkzaamheden in 1958 en 1961 heeft moeten beëindigen vanwege die rugklachten. Haar latere werkzaamheden heeft zij in 1977 en na 1990 moeten staken door zenuw- en wervelklachten. Op die grond stelt zij aanspraak te hebben op een periodieke uitkering.
3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de rugklachten van appellante zijn veroorzaakt door het door haar ondergane oorlogsgeweld, namelijk internering tijdens de Bersiap-periode. De Raad acht voor het standpunt van appellante onvoldoende medische onderbouwing aanwezig. Er zijn geen medische gegevens van vóór 1997 en ook geen gegevens van een latere datum die het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende standpunt, inhoudende dat sprake is van een degeneratieve aandoening, weerleggen. De Raad acht dit standpunt op basis van de adviezen van de geneeskundig adviseurs en artsen A.J. Maas en P. Windels voldoende onderbouwd.
4.2. Nu verder niet is gebleken (en ook niet door appellante wordt gesteld) dat appellante haar werkzaamheden heeft moeten beëindigen vanwege haar psychische klachten als gevolg van het oorlogsgeweld, heeft zij op grond van artikel 7 van Pro de Wubo geen aanspraak op een periodieke uitkering.
4.3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.
5. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. Lammerse.
HD