ECLI:NL:CRVB:2010:BM4084
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding bij zorgverlening aan kind
Appellant verzorgt sinds 2004 zijn verstandelijk beperkte zoon en ontving aanvankelijk een persoonsgebonden budget (pgb) voor 24 uur zorg per week, dat in 2007 werd verlaagd naar 7 uur. Naar aanleiding hiervan vroeg appellant een WW-uitkering aan, die het UWV aanvankelijk toekende per 1 februari 2007.
Na een opsporingsonderzoek stelde het UWV vast dat appellant niet verzekerd was op grond van de sociale werknemersverzekeringswetten vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding. Het UWV trok de WW-uitkering in en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit.
In hoger beroep betoogde appellant dat er wel sprake was van een gezagsverhouding omdat hij verantwoording aflegde aan het Zorgkantoor en de gezinsvoogd controle zou uitoefenen. De Raad verwierp dit en oordeelde dat de familierelatie overheerst en geen dienstbetrekking met werkgeversgezag bestaat. De Raad bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 mei 2010.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op WW-uitkering wegens ontbreken van een gezagsverhouding.