ECLI:NL:CRVB:2011:BU7413
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep oordeelt over verzekerde arbeid zorgverlener binnen familieverband
Appellant werkte sinds 1 januari 1997 als administratief medewerker en vanaf 10 mei 2000 tevens als zorgverlener voor zijn moeder, aan wie een persoonsgebonden budget was toegekend. Na uitval in oktober 2001 weigerde het UWV aanvankelijk een WAO-uitkering toe te kennen, maar kende deze later toe met ingang van 22 oktober 2002. Het UWV sloot de werkzaamheden als zorgverlener uit bij de berekening van het dagloon, stellende dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking vanwege de familierelatie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat geen gezagsverhouding was aangetoond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij als zorgverlener werkte onder werkgeversgezag van zijn moeder, die opdrachten gaf, controleerde en vaste werktijden hanteerde. De Raad stelde vast dat de familierelatie niet de arbeidsverhouding beheerste, dat er sprake was van vaste werktijden en controle, en dat de moeder werkgeversgezag uitoefende.
De Raad verwierp het standpunt van het UWV dat appellant ongeschikt was voor de werkzaamheden en oordeelde dat de huishoudelijke taken wezenlijk verschilden van paramedische zorg. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV, en droeg het UWV op opnieuw te beslissen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad vernietigt het besluit van het UWV en draagt het UWV op opnieuw te beslissen dat de werkzaamheden als zorgverlener als verzekerde arbeid gelden.