ECLI:NL:CRVB:2010:BM4126

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2967 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting

Appellante had tot 30 juni 2006 bijstand ontvangen en vroeg op 13 februari 2007 opnieuw bijstand aan. Het College van burgemeester en wethouders van Tilburg wees deze aanvraag af omdat appellante onvoldoende duidelijkheid gaf over haar financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep heeft appellante zich tegen deze uitspraak gekeerd, maar verwees slechts naar eerdere gronden in bezwaar en beroep zonder nieuwe concrete informatie aan te leveren.

De Raad stelde vast dat appellante geen concrete en verifieerbare gegevens had overgelegd over de financiering van haar in juli 2006 gestarte onderneming, haar levensonderhoud zonder inkomsten sinds die datum, en de besteding van de opbrengst van twee verkochte auto's ter waarde van ongeveer €27.000.

Hierdoor heeft appellante haar inlichtingenverplichting geschonden, waardoor haar recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en wees het hoger beroep af, bevestigde het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.

Uitspraak

08/2967 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 april 2008, 07/5251(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)
Datum uitspraak: 11 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 30 maart 2010, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellante heeft tot en met 30 juni 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen. Op 13 februari 2007 heeft appellante opnieuw bijstand aangevraagd. Deze aanvraag heeft het College - voor zover nog thans van belang - bij besluit van 18 september 2007 afgewezen. Het College heeft het daartegen gemaakte bezwaar van appellante bij besluit van 1 november 2007 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellante geen duidelijkheid heeft gegeven over haar financiële situatie voorafgaand aan de bijstandsaanvraag van 13 februari 2007, als gevolg waarvan het College niet heeft kunnen vaststellen dat appellante in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeert.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 november 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Voor de gronden van het hoger beroep heeft appellante verwezen naar hetgeen zij in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt vast dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak uitvoerig heeft gemotiveerd dat en waarom hetgeen in beroep door appellante is aangevoerd geen afbreuk doet aan het besluit van 1 november 2007. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante, door geen concrete en verifieerbare gegevens over te leggen ten aanzien van de wijze waarop zij de door haar in juli 2006 gestarte onderneming heeft gefinancierd en de wijze waarop zij sinds juli 2006 - zonder inkomsten - in haar levensonderhoud heeft voorzien, en ook niet ten aanzien van de besteding van de opbrengst van twee in augustus en oktober 2006 verkochte auto’s met een gezamenlijke waarde van ongeveer € 27.000,--, de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad onderschrijft de motivering van de aangevallen uitspraak en ziet in de enkele verwijzing naar de gronden die ook in bezwaar en beroep zijn aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Dit betekent dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R. Kooper en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2010.
(get.) C. van Viegen.
(get.) N.M. van Gorkum.
IvR