ECLI:NL:CRVB:2010:BM4134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R. Kooper
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hulpbehoevendheid in kader beëindiging ANW-uitkering
Betrokkene ontving een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) en woonde samen met haar zoon en kleindochter. Na vertrek van haar zoon concludeerde appellant dat betrokkene met haar kleindochter een gezamenlijke huishouding voerde, waarna de uitkering werd beëindigd. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze beëindiging, mede op basis van medische adviezen van ClientFirst die geen sprake van gezamenlijke huishouding en hulpbehoevendheid zagen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, omdat het oordeel over hulpbehoevendheid onvoldoende zorgvuldig was gemotiveerd, met name vanwege onduidelijkheid over de verwerking van een huisartsverklaring. In hoger beroep stelde appellant dat de huisarts geen objectieve medische diagnose had gesteld en dat de adviezen van ClientFirst wel degelijk zorgvuldig waren.
De Raad oordeelt dat betrokkene niet hulpbehoevend is in de zin van de Anw, omdat de medische adviezen uitvoerig en zorgvuldig zijn opgesteld, inclusief huisbezoeken en het betrekken van medische gegevens. De verklaringen van de huisarts bevatten geen objectieve diagnose die duidt op een ziekte of stoornis van verstandelijke of geestelijke aard. De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de ANW-uitkering blijft in stand.