ECLI:NL:CRVB:2010:BM5662
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- R.C. Stam
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering WAO-uitkering wegens werkzaamheden als hovenier
Appellant ontving sinds 1991 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid na een ongeval in 1989. Na sluiting van zijn tuincentrum in 1996 stelde het UWV vast dat appellant vanaf 1995 voltijds als hovenier werkte, hetgeen niet was gemeld. Een opsporingsonderzoek en getuigenverklaringen bevestigden zijn werkzaamheden en inkomsten.
Het UWV beëindigde daarom de WAO-uitkering met terugwerkende kracht per 1 augustus 1996 en vorderde onverschuldigde betalingen terug. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten grotendeels ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het UWV onvoldoende aannemelijk maakte dat appellant per 1 januari 1996 geen WAO-uitkering meer had, waardoor het besluit over die periode niet houdbaar is.
De Raad neemt aan dat appellant vanaf 28 juli 1997 tot 27 juli 2000 arbeidsinkomsten genoot die leiden tot beëindiging van de WAO-uitkering per 28 juli 2000. De Raad vernietigt het besluit van 29 januari 2008 en bepaalt dat de WAO-uitkering vanaf die datum niet wordt uitbetaald. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De WAO-uitkering wordt beëindigd per 28 juli 2000 en terugvordering over de periode 28 juli 1997 tot 1 februari 2007 bevestigd; het besluit over de periode vóór 28 juli 1997 wordt vernietigd.