ECLI:NL:CRVB:2010:BM5672

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3390 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda die het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond verklaarde. Het UWV had op 7 december 2007 besloten om appellant geen WAO-uitkering toe te kennen omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg per 22 februari 2007.

De rechtbank had geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsartsen van het UWV de medische beperkingen van appellant adequaat hadden vastgesteld, waarbij rekening was gehouden met zijn psychische, hart-, COPD- en vermoeidheidsklachten. Tevens was vastgesteld dat appellant in staat was om de bij de schatting betrokken functies te vervullen.

In hoger beroep heeft appellant verwezen naar eerder ingediende gronden en een arbeidspsychologisch rapport overgelegd. De Raad oordeelt dat dit rapport niet is opgesteld volgens de WAO-criteria en leidt niet tot een ander oordeel. De Raad ziet geen reden om aan te nemen dat de medische beperkingen onvoldoende zijn meegewogen. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

09/3390 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 mei 2009, 08/4253 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
Bij brief van 10 maart 2010 heeft appellant een rapport van een bij hem gedaan arbeidspsychologisch onderzoek ingediend, waarop door het Uwv is gereageerd door middel van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 29 maart 2010.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2010, waar appellant met bericht van verhindering niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv van 1 augustus 2008, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, het besluit van 7 december 2007 gehandhaafd, waarbij aan appellant met ingang van 22 februari 2007 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is geweigerd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum minder dan 15% was.
1.2. Toetsend aan het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (oSB), zoals dit vóór 1 oktober 2004 gold, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat op grond van de beschikbare medische gegevens de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv bij appellant (uiteindelijk) niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Met name blijkt uit de rapporten van deze artsen dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, waaronder de psychische, hart-, COPD- en vermoeidheidsklachten. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellant op 22 februari 2007 in staat was de bij de schatting betrokken functies te vervullen.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep verwezen naar de door hem in beroep ingediende gronden.
3.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank die gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Ook de Raad heeft onvoldoende reden om aan te nemen dat, zoals appellant stelt, door de (bezwaar)verzekeringsartsen te weinig medische beperkingen in aanmerking zijn genomen. Het hiervoor onder I vermelde arbeidspsychologisch rapport, dat kennelijk is opgemaakt met het oog op de arbeidsmarktpositie van appellant, leidt de Raad niet tot een ander oordeel, nu dit rapport niet is opgesteld om beperkingen vast te stellen aan de hand van de krachtens de WAO geldende criteria. Dat appellant op 22 februari 2007 als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk niet in staat is tot het verrichten van arbeid in het vrije bedrijf kan de Raad niet aan dat rapport ontlenen, zoals ook door de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv in zijn rapport van 29 maart 2010 is geconcludeerd.
3.3. Het hoger beroep van appellant slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3.4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2010.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) D.E.P.M. Bary.
KR