ECLI:NL:CRVB:2010:BM5943
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkering na geschil over arbeidsongeschiktheidspercentage en urenbeperking
Appellant, voormalig operator, viel in 2000 uit wegens rug- en later psychische klachten. Zijn WAO-uitkering werd aanvankelijk vastgesteld op 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid bij naar 15 tot 25%, maar corrigeerde dit later weer naar 25 tot 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en volgde het oordeel van een door haar ingeschakelde onafhankelijke deskundige die geen aanleiding zag voor een urenbeperking.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten onvoldoende waren onderkend en dat hij minder specialistische onderzoeken had ondergaan dan nodig. Hij vroeg om een nieuw, blanco onderzoek en betwijfelde de onafhankelijkheid van de deskundige. De Raad overwoog dat het oordeel van een onafhankelijke door de rechter benoemde deskundige in principe gevolgd moet worden, tenzij bijzondere omstandigheden dat verhinderen.
De Raad stelde vast dat er geen aanwijzingen waren dat de deskundige niet onafhankelijk of deskundig was, noch dat zijn onderzoek onzorgvuldig was. Ook de verschillen tussen de deskundigen waren niet reden voor diskwalificatie. Beide deskundigen bevestigden dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) een juist beeld gaf van de beperkingen. De Raad zag geen reden voor een nieuwe deskundige en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de WAO-uitkering van appellant blijft vastgesteld op 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid zonder urenbeperking.