ECLI:NL:CRVB:2010:BM6643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing postume AOW-uitkering met terugwerkende kracht van meer dan één jaar
De zaak betreft het hoger beroep van de erven van een overledene tegen de beslissing van de Sociale verzekeringsbank (Svb) om een postume AOW-uitkering slechts met terugwerkende kracht van één jaar toe te kennen. De betrokkene had in 1985 of 1986 een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen, maar deze leidde niet tot toekenning vanwege ontbrekende documenten. Na haar overlijden in 2006 vroeg haar echtgenoot een postume toekenning aan.
De Svb kende een postume AOW-uitkering toe vanaf oktober 2005 tot aan het overlijden, wat leidde tot een nabetaling van €3.702,33. De erven maakten bezwaar omdat zij vonden dat de uitkering moest worden toegekend vanaf het moment dat de betrokkene 65 jaar werd in 1985. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de erven gingen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onduidelijk is of de oorspronkelijke aanvraag in 1985 of 1986 tot een besluit heeft geleid, maar dat het risico hiervan bij de betrokkene ligt. De Raad bevestigde dat de Svb terecht beleid hanteert waarbij postume AOW-uitkeringen maximaal één jaar terugwerkende kracht krijgen, omdat bij postume aanvragen geen sprake kan zijn van hardheid bij de aanvrager zelf. De individuele omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde en niet die van de erven zijn bepalend.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen veroordeling in de proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de postume AOW-uitkering wordt slechts met terugwerkende kracht van één jaar toegekend.