ECLI:NL:CRVB:2010:BM7218

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-932 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Wajong
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering vervroegde ingangsdatum Wajong-uitkering wegens onbekendheid geen bijzonder geval

Appellante verzocht om een vervroegde ingangsdatum van haar Wajong-uitkering, eerder dan een jaar voor de datum van haar aanvraag. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die dit rechtvaardigden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat onbekendheid met de mogelijkheid tot aanvraag geen bijzonder geval is en dat appellante in staat was haar zaken te regelen.

In hoger beroep handhaafden partijen hun standpunten. De Raad overwoog dat de medische rapporten van verzekeringsartsen geen aanleiding geven om het standpunt van het UWV te verwerpen. Appellante was ondanks haar psychische klachten in staat geweest om hulp te vragen en diverse uitkeringen aan te vragen. Het feit dat zij niet op de hoogte was van de aanvraagmogelijkheid vormt geen verschoonbare reden.

De Raad volgde de vaste rechtspraak dat onbekendheid met regelgeving geen bijzonder geval is zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd; geen vervroegde ingangsdatum van de Wajong-uitkering.

Uitspraak

09/932 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2009, 08/2497 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smitshuysen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.
1.2. Bij besluit van 24 december 2007 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 22 april 2006 een Wajong-uitkering toegekend. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 15 mei 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Naar het oordeel van het Uwv is er geen bijzondere omstandigheid, die aanleiding geeft de uitkering vroeger te laten ingaan dan een jaar voor de datum van aanvraag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat onbekendheid bij appellante en bij hulpverlenende instanties met het bestaan van de mogelijkheid van het aanvragen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong kan opleveren. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante op diverse momenten in staat is gebleken haar zaken te regelen, zodat evenmin gezegd kan worden dat de ziekte van appellante van doorslaggevende invloed moet zijn geweest op het tijdstip van de aanvraag.
3. In hoger beroep hebben partijen hun eerder ingenomen standpunten gehandhaafd.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Evenals de rechtbank volgt de Raad het Uwv dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong. Verzekeringsarts M.G. van Berckel Smit-Ruys heeft bij haar onderzoek onderkend dat de psychische klachten van appellante al van voor haar zeventiende jaar dateren. Deze arts stelt zich tevens op het standpunt dat appellante in de gelegenheid is geweest om tenminste een beroep te doen op derden om een Wajong-uitkering aan te vragen. Sedert haar achttiende jaar heeft zij ondanks haar forse klachten regelmatig contact gehad met derden en om hulp gevraagd, zoals bij de opvanghuizen waar zij woonde. Verder heeft zij diverse baantjes gehad en regelmatig een bijstandsuitkering aangevraagd en gekregen, alsdus de verzekeringsarts. Bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink heeft geen medische argumenten gevonden om af te wijken van het medisch oordeel van verzekeringsarts Van Berckel Smit-Ruys. De aanwezige aandoening maakt niet dat appellante eerder buiten staat was een aanvraag te doen. Dat zij niet op de hoogte was van de mogelijkheid daartoe, is geen verschoonbare reden. De Raad heeft geen aanknopingspunt gevonden het standpunt van het Uwv, dat op deze verzekeringsgeneeskundige conclusies is gebaseerd, voor onjuist te houden. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep medische gegevens in het geding gebracht, die aannemelijk maken dat het standpunt van het Uwv, dat de aanvraag eerst op 23 april 2007 is gedaan niet is gelegen in medische problematiek, voor onjuist moet worden gehouden. De Raad houdt het er dan ook voor dat de omstandigheid dat appellante niet eerder heeft verzocht om een Wajong-uitkering het gevolg is geweest van onbekendheid met de mogelijkheid van het doen van een aanvraag van zodanige uitkering bij haar en bij derden die haar in het verleden hebben bijgestaan. Naar vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van 24 februari 2010, LJN BL6775, levert onbekendheid met de regelgeving geen bijzonder geval op als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong.
4.2. Derhalve slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010.
(get.) H. Bolt.
(get.) A.L. de Gier.
KR