ECLI:NL:CRVB:2010:BM7232
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand sinds 1990, waarvan vanaf 1 januari 2001 tot 14 maart 2006 onterecht op basis van een alleenstaande norm was toegekend. Uit een strafrechtelijk onderzoek en sociaal recherche rapport bleek dat appellante met B. een gezamenlijke huishouding voerde, waarbij zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en een kind samen hadden.
Het College trok de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode 1 januari 2001 tot 31 maart 2006. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel voor het gedeelte vanaf 14 maart 2006 wegens onvoldoende feitelijke grondslag voor intrekking. Voor de periode daarvoor is de intrekking gegrond.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellante in het strafproces als bewijs mochten worden gebruikt, ondanks het ontbreken van een raadsman bij het begin van het verhoor, omdat het hier geen strafrechtelijke procedure betrof. De Raad veroordeelt het College in de proceskosten en bepaalt dat het College opnieuw moet beslissen over de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: De bijstand wordt ingetrokken over de periode 1 januari 2001 tot 14 maart 2006 wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht; het besluit vanaf 14 maart 2006 wordt vernietigd.