ECLI:NL:CRVB:2010:BM7497

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4537 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herziening WAO-uitkering en passendheid functies

Appellant ontving vanaf april 2002 een WAO-uitkering, laatstelijk vastgesteld op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV herzag deze uitkering bij besluit van 12 september 2007 en stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 25-35%. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond, waarbij zij het medische onderzoek en de passendheid van de geduide functies als zorgvuldig en juist beoordeelde.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn schouderklachten ook beperkingen in frequent reiken veroorzaakten en dat de passendheid van de functies onvoldoende was toegelicht. De Raad overwoog dat deze nieuwe argumenten geen aanleiding gaven tot een ander oordeel dan de rechtbank. De stelling over reiken werd niet onderbouwd met medische stukken en de bezwaarverzekeringsarts had dit ook weerlegd.

De Raad beoordeelde de passendheid van de functies nader aan de hand van een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige en concludeerde dat appellant functies met opleidingsniveau 2 kan vervullen, mits deze geen hogere opleidingseis dan afgerond lager onderwijs hebben en routinematig zijn. Gezien de opleiding en vaardigheden van appellant achtte de Raad hem in staat deze functies te verrichten. De mate van arbeidsongeschiktheid bleef derhalve 25-35%.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant, vanwege de aanvullende toelichting over de passendheid van functies die pas in hoger beroep werd gegeven.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid en veroordeelt het UWV in de proceskosten.

Uitspraak

09/4537 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juli 2009, 08/2925 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Beelaard. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J.J. Grasmeijer. Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen een nadere toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige over te leggen.
Bij schrijven van 1 april 2010 heeft het Uwv een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 31 maart 2010 overgelegd. Zijdens appellant is op 14 april 2010 op dit rapport gereageerd.
Beide partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontving vanaf april 2002 een WAO-uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
1.2. Bij besluit van 12 september 2007 heeft het Uwv deze uitkering herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
1.3. Bij besluit op bezwaar van 1 april 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medische onderzoek onzorgvuldig te achten. Evenmin heeft zij aanknopingspunten gezien dat het medische oordeel van de verzekeringsartsen onjuist is. Appellant heeft in beroep geen medische gegevens ingebracht die zijn stelling dat hij meer beperkt is onderbouwen. De rechtbank acht de voor appellant geselecteerde functies zowel qua belasting als qua niveau passend.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij in verband met zijn schouderklachten ook beperkt is op frequent reiken en dat de signaleringen van de geduide functies niet voldoende zijn toegelicht.
4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen wezenlijke nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De stelling dat ook een beperking zou moeten worden aangenomen voor frequent reiken treft geen doel gelet op hetgeen de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 9 oktober 2009 daarover heeft opgemerkt. Appellant heeft zijn stelling ter zake voorts niet met medische stukken onderbouwd.
4.2. Met betrekking tot de passendheid van de geduide functies overweegt de Raad als volgt. In het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 4 november 2009 is aangegeven dat appellant ook kan functioneren in functies met opleidingsniveau 2 mits die functies geen hogere opleidingseis hebben dan afgerond lager onderwijs en sprake is van routinematig werk. Appellant heeft dit – onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 april 2009 (LJN BI3524) – bestreden. Deze stelling slaagt niet. Anders dan in die uitspraak heeft appellant niet alleen 3 jaar onderwijs gevolgd in een Moskeeschool, maar ook 4 jaar lagere school. Daarnaast heeft hij gedurende de jaren 1982, 1983 en 1984 een cursus Nederlands gevolgd en hij is in het bezit van een Nederlands rijbewijs. Hij moet dus in staat worden geacht te lezen, schrijven en rekenen op eind-basisschoolniveau. Mede gelet op de door de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 31 maart 2010 gegeven nadere toelichting moet hij dan ook in staat worden geacht de geduide functies te verrichten. Voor zover de functie vouwer voor appellant niet geschikt zou zijn vanwege het ontbreken van routinematig karakter, resteren de functies steksteker, room attendant en productiemedewerker kartonnage. Uitgaande van deze drie functies blijft de mate van arbeidsongeschiktheid 25-35%.
4.3. Het hoger beroep slaagt dus niet.
5. Aangezien eerst in hoger beroep de passendheid van de functies voldoende is toegelicht ziet de Raad redenen het Uwv te veroordelen in de door appellant in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op
€ 644,= voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal
€ 1.288,=.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,=, waarvan € 644,= te voldoen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 149,= vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2010.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) T.J. van der Torn.
JL