ECLI:NL:CRVB:2010:BM7497
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- T.J. van der Torn
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering en passendheid functies
Appellant ontving vanaf april 2002 een WAO-uitkering, laatstelijk vastgesteld op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV herzag deze uitkering bij besluit van 12 september 2007 en stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 25-35%. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond, waarbij zij het medische onderzoek en de passendheid van de geduide functies als zorgvuldig en juist beoordeelde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn schouderklachten ook beperkingen in frequent reiken veroorzaakten en dat de passendheid van de functies onvoldoende was toegelicht. De Raad overwoog dat deze nieuwe argumenten geen aanleiding gaven tot een ander oordeel dan de rechtbank. De stelling over reiken werd niet onderbouwd met medische stukken en de bezwaarverzekeringsarts had dit ook weerlegd.
De Raad beoordeelde de passendheid van de functies nader aan de hand van een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige en concludeerde dat appellant functies met opleidingsniveau 2 kan vervullen, mits deze geen hogere opleidingseis dan afgerond lager onderwijs hebben en routinematig zijn. Gezien de opleiding en vaardigheden van appellant achtte de Raad hem in staat deze functies te verrichten. De mate van arbeidsongeschiktheid bleef derhalve 25-35%.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant, vanwege de aanvullende toelichting over de passendheid van functies die pas in hoger beroep werd gegeven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid en veroordeelt het UWV in de proceskosten.