ECLI:NL:CRVB:2010:BM8065
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening gedifferentieerde WAO-premiebesluiten wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante verzocht het UWV om terug te komen van besluiten tot vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie over de jaren 1998 tot en met 2005, stellende dat zij niet beschikte over de gehanteerde instroomlijsten en dat zij ten onrechte is belast voor een groot aantal personen.
Het UWV heeft dit verzoek deels ingewilligd en deels afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing ongegrond omdat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die zij niet eerder had kunnen aanvoeren.
In hoger beroep betoogde appellante dat de opgevraagde instroomlijsten als nieuwe feiten moesten worden beschouwd en dat het UWV een nieuwe inhoudelijke beoordeling had toegezegd. De Raad oordeelde echter dat de vraag naar nieuwe feiten (nova) ambtshalve door de bestuursrechter moet worden beoordeeld en dat de instroomlijsten feiten betreffen die appellante reeds bij de oorspronkelijke besluiten had kunnen aanvoeren.
De toezeggingen van het UWV tot heronderzoek konden niet leiden tot het negeren van het ontbreken van nova. De Raad concludeerde dat het verzoek geen nieuwe feiten bevatte en dat de oorspronkelijke besluiten de beperkte rechterlijke toetsing konden doorstaan. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.