ECLI:NL:CRVB:2010:BM8067
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAZ-uitkering na overlijden uitkeringsgerechtigde
De zaak betreft de terugvordering door het UWV van WAZ-uitkeringen die na het overlijden van de uitkeringsgerechtigde, de moeder van appellant, onverschuldigd zijn doorbetaald. De uitkering werd doorbetaald van 5 juli 2002 tot 1 maart 2004, zonder dat het UWV van het overlijden op de hoogte was.
Appellant, als enig erfgenaam, werd geconfronteerd met de terugvordering van €24.698,87. Hij voerde aan dat hij niet over het bedrag beschikte, dat er geen moederbesluit was en dat het vakantiegeld na de terugvorderingsperiode niet had mogen worden meegenomen. Tevens stelde hij dat het UWV pas laat van het overlijden wist en dat hij wegens financiële omstandigheden niet kon terugbetalen.
De rechtbank wees het beroep af en stelde dat het UWV terecht terugvordering toepaste, ook op het vakantiegeld, en dat verjaring en dringende redenen niet van toepassing waren. De Centrale Raad van Beroep sloot zich aan bij deze overwegingen, bevestigde dat er vanaf de dag na overlijden geen recht meer bestaat op WAZ-uitkering, dat een moederbesluit niet vereist is, en dat het invorderingstraject de juiste weg is voor beoordeling van financiële omstandigheden. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WAZ-uitkeringen na overlijden en wijst het hoger beroep af.