ECLI:NL:CRVB:2004:AQ1027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beëindiging van het recht op AOW-pensioen bij overlijden van de gerechtigde
Appellanten stelden beroep in tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank waarin werd bepaald dat het recht op het ouderdomspensioen eindigt op de dag van overlijden van de gerechtigde. Zij voerden aan dat het pensioen op billijkheidsgronden door zou moeten lopen tot het einde van de maand, omdat zij als erfgenamen financiële verplichtingen van de overledene overnemen.
De rechtbank oordeelde dat de AOW geen ruimte biedt om buiten de in artikel 18 geregelde Pro gevallen na overlijden nog AOW-pensioen toe te kennen en verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en overwoog dat uit de systematiek en wetsgeschiedenis van de AOW volgt dat het recht op ouderdomspensioen eindigt op de dag van overlijden.
De Raad benadrukte dat artikel 7 AOW Pro bepaalt wie recht heeft op het pensioen en dat dit recht vervalt zodra de gerechtigde overlijdt. Artikel 17 regelt Pro intrekking van het pensioen bij wijziging van omstandigheden, maar dit betreft een andere situatie dan overlijden. Artikel 18 voorziet Pro in een overlijdensuitkering voor rechthebbenden, maar indien die ontbreken, eindigt het pensioen op de dag van overlijden.
De Raad wees ook op het verbod om billijkheidstoetsen toe te passen op de wet zelf en concludeerde dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden. Het beroep is daarmee ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het recht op AOW-pensioen eindigt op de dag van overlijden van de gerechtigde, ook indien geen recht bestaat op een overlijdensuitkering.