ECLI:NL:CRVB:2010:BM9285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag vanwege lange reistijd
Appellante was sinds 1 juli 2003 in vaste dienst als legal counsel bij haar eerste werkgever en trad op 1 januari 2008 in dienst bij een tweede werkgever als senior legal counsel. Na ongeveer een maand beëindigde zij haar dienstverband vanwege de lange reistijd van circa vier uur per dag tussen Rotterdam en Eindhoven, die zij fysiek niet meer aankon. Zij vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de arbeid en reistijd passend waren en dat de onjuiste inschatting van de reistijd voor haar risico bleef. Ook medische gronden of dringende redenen werden niet vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij door haar zwangerschap en de zware belasting van het woon-werkverkeer de voortzetting van het dienstverband niet kon worden gevergd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de omstandigheden, waaronder de lange reistijd en gezinsdruk, niet tot de conclusie leiden dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van appellante kon worden gevergd. Zij had haar werkzaamheden moeten voortzetten totdat zij ander werk dichter bij huis vond of een oplossing realiseerde. Haar impulsieve handelen door zwangerschap bood geen grond voor verminderde verwijtbaarheid. De Raad bevestigde daarom het standpunt van het UWV en de rechtbank dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden en de WW-uitkering terecht is geweigerd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van appellante kon worden gevergd.