ECLI:NL:CRVB:2010:BM9592

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2719 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WuboArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs directe betrokkenheid

Appellant heeft een aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo, met het oog op een periodieke uitkering en voorzieningen. De aanvraag is door de Pensioen- en Uitkeringsraad afgewezen vanwege onvoldoende bevestiging van de door appellant genoemde oorlogsgebeurtenissen en het ontbreken van directe betrokkenheid bij het bombardement nabij zijn ouderlijke woning.

In beroep heeft appellant aangevoerd dat de gebeurtenissen voldoende zijn bevestigd door een verklaring van zijn zus en algemeen bekende feiten, en dat medisch bewijs kan worden geleverd. Verweerster heeft betwist dat de verklaring overtuigend is en heeft op basis van historische gegevens gesteld dat er geen directe betrokkenheid was bij het bombardement.

De Raad overweegt dat erkenning als burger-oorlogsslachtoffer primair afhankelijk is van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld. Medische rapporten zijn niet doorslaggevend zonder vaststelling van die betrokkenheid. De verklaring van de zus wordt onvoldoende overtuigend geacht, en historische gegevens bevestigen geen directe betrokkenheid bij het bombardement. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.

Uitspraak

09/2719 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 10 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 6 april 2009, kenmerk BZ 8647, JZ/Q60/2009, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), verder: bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2010. Appellant is niet verschenen, zoals tevoren was gemeld. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1935, heeft in april 2008 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering dan wel een toeslag, en voor voorzieningen. Hierop is bij besluit van 28 juli 2008 afwijzend beslist, welke afwijzing is gehandhaafd bij het bestreden besluit.
1.2. Door appellant zijn gebeurtenissen naar voren gebracht die naar zijn mening tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo zouden moeten leiden. Dit betreft, kort samengevat:
I. het getuige zijn van het door een Duitse soldaat neerschieten van een bezoeker van de gaarkeuken bij café-restaurant Vronenstijn;
II. het meemaken van beschietingen tijdens een fietstocht naar Utrecht, waar hij bij een tante een kilo bonen moest ophalen;
III. het beschoten worden door Duitse soldaten vanwege een poging tot het stelen van voedsel tijdens het zwemmen in de Vliet;
IV. het meemaken van een bombardement vlakbij de ouderlijke woning aan de Parkweg in Voorburg.
1.3. Verweerster heeft de aanvraag van appellant afgewezen omdat van de gebeurtenissen I tot en met III onvoldoende bevestiging is verkregen. Ten aanzien van gebeurtenis IV heeft verweerster de aanvraag afgewezen omdat er geen sprake is geweest van directe betrokkenheid bij het bombardement.
2. In beroep is namens appellant, kort samengevat, aangevoerd dat de gebeurtenissen I en III voldoende zijn bevestigd door de verklaring van de zus van appellant en op basis van algemeen bekende feiten. Verder is aangevoerd dat nader medisch bewijs kan worden verkregen uit rapporten van behandelaars van appellant. Met betrekking tot gebeurtenis IV is nog naar voren gebracht dat appellant ten tijde van het bombardement niet in de woning was maar op straat, vlakbij de plek van het bombardement. Tegen het bij het bestreden besluit gehandhaafde standpunt van verweerster met betrekking tot gebeurtenis II zijn geen grieven ingebracht.
3. Van de zijde van verweerster is aangevoerd dat de getuigenverklaring van de zus van appellant met betrekking tot gebeurtenis I onvoldoende overtuigend is, nu verder objectieve gegevens ontbreken en voorts dat daaruit met betrekking tot gebeurtenis III niet blijkt van daadwerkelijke, op haar en appellant gerichte beschietingen. Ten aanzien van gebeurtenis IV heeft verweerster aangevoerd dat op grond van historische gegevens bekend is dat er als gevolg van de bomtreffer op de tramrails op de Parkweg sprake was van verbogen rails en opgeworpen aarde. Er waren geen persoonlijke ongelukken, geen branden en er was geen gevaar voor het instorten van huizen. De verklaring van appellant met betrekking tot het bombardement is algemeen en ongedetailleerd, zodat geen directe betrokkenheid van appellant hierbij kan worden vastgesteld.
4. De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellant in beroep is aangevoerd geen aanleiding gevonden om het bij het bestreden besluit door verweerster gehandhaafde standpunt in rechte onhoudbaar te achten. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.1. Allereerst overweegt de Raad dat uit het bepaalde in artikel 2 van Pro de Wubo volgt dat voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer primair de voorwaarde geldt dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld als omschreven in dat artikel. Pas als zodanige betrokkenheid is vastgesteld, kunnen de medische gevolgen daarvan een rol spelen. De Raad kan appellant dan ook niet volgen in zijn grief dat nader bewijs kan worden ontleend aan de medische rapporten van zijn behandelaars.
4.2. Uit het sociaal rapport van appellant blijkt dat hij toen niet heeft vermeld dat zijn zus aanwezig was bij het doodschieten van een burger door een Duitse militair toen hij stond te wachten bij de gaarkeuken. Hij heeft verteld dat hij hierna snel naar huis is gerend. Bovendien heeft hij aangegeven dat er ten aanzien van zijn oorlogsrelaas geen specifieke getuigen bij hem bekend zijn. Onder die omstandigheden en nu objectieve bronnen ontbreken die deze gebeurtenis kunnen bevestigen, kan de Raad verweerster volgen in het oordeel dat aan de in de bezwarenprocedure ingebrachte getuigenverklaring van de zus van appellant onvoldoende bewijskracht kan worden toegekend.
4.3. Ditzelfde geldt voor de door appellant gestelde betrokkenheid bij beschietingen door Duitse militairen in de Vliet. Bovendien is de verklaring van de zus van appellant op dit onderdeel onvoldoende specifiek.
4.4. Op basis van historische gegevens staat vast dat op 13 maart 1945 een bominslag op de tramrails op de Parkweg in Voorburg heeft plaatsgevonden en dat er zich geen branden hebben voorgedaan, er geen instortingsgevaar was van huizen of andere zware materiële schade. Er is melding gemaakt van één lichtgewonde. Appellant heeft aangegeven dat er een enorme klap was, maar niet dat er sprake was van schade aan de ouderlijke woning of letsel van personen in zijn directe omgeving en ook de zus van appellant spreekt niet in het bijzonder over deze bominslag. Uit dit totaal van gegevens heeft verweerster mogen afleiden dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van directe betrokkenheid van appellant bij deze bominslag.
5. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.
6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD