ECLI:NL:CRVB:2010:BM9810

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4703 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak inzake verrekening huurinkomsten bij bijstand op grond van WWB

Appellante ontvangt sinds 1995 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College stelde op basis van door appellante verstrekte gegevens de te verrekenen inkomsten uit verhuur van haar woning vast op een hoger bedrag dan eerder genoemd in een brief van het College. Appellante stelde dat het College hiermee in strijd handelde met het vertrouwensbeginsel, omdat het hogere bedrag afweek van de in de brief van 6 december 2006 genoemde huurprijs van € 380 per maand.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slaagt indien een bevoegd bestuursorgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen heeft gedaan die gerechtvaardigde verwachtingen wekken. In deze zaak was dat niet het geval, mede omdat de brief betrekking had op een situatie van niet tijdig aanleveren van gegevens, hetgeen hier niet aan de orde was.

De Raad bevestigt daarmee het besluit van het College om hogere huurinkomsten te verrekenen met de bijstand en verklaart het hoger beroep ongegrond. Tevens ziet de Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

08/4703 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 juni 2008, 07/3671 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 22 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. Ramsoedh, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend. Mr. Ramsoedh heeft hierop bij brief van 12 december 2008 gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2010. Appellante is - zoals vooraf bericht - niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontvangt sedert 1 december 1995 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2. In verband met de verhuur aan haar dochter van de sinds januari 2004 in eigendom aan appellante toebehorende woning op het adres [adres] te [woonplaats], heeft het College appellante bij brief van 6 december 2006 verzocht om nadere informatie ten einde de inkomsten uit verhuur te kunnen berekenen die met de bijstand van appellante dienen te worden verrekend. Appellante is tevens verzocht het formulier “waardering zelfstandige woning” van de Huurcommissie in te vullen, op basis waarvan de huurprijs van de woning op het adres [adres] kan worden vastgesteld. Het College heeft in deze brief aangegeven dat bij het niet tijdig inzenden van de gevraagde informatie, uitgegaan zal worden van een commerciële huurwaarde van € 380,--, gebaseerd op vergelijkbare huurwoningen uit de omgeving. Uitgaande van een aan de woning verbonden bedrag aan eigenaarslasten van € 225,--, zal alsdan met ingang van 1 januari 2007 een bedrag aan inkomsten uit verhuur van € 155,-- maandelijks met de bijstand van appellante worden verrekend.
1.3. Vervolgens heeft het College naar aanleiding van de van appellante ontvangen informatie bij besluit van 23 januari 2007 de te verrekenen inkomsten uit verhuur vanaf 1 januari 2007 vastgesteld op € 228,41 per maand, uitgaande van een huurprijs van € 459,90 en een bedrag aan eigenaarslasten van € 231,49.
1.4. Bij besluit van 16 april 2007 heeft het College - voor zover in dit geding van belang - het bezwaar tegen het besluit van 23 januari 2007 gegrond verklaard in die zin dat op grond van een nadere vaststelling van de huurprijs en de eigenaarslasten, de met de bijstand van appellante te verrekenen huurinkomsten in januari 2007 zijn bepaald op € 151,09 en vanaf 1 februari 2007 op € 111,09 per maand.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 april 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt naar aanleiding van de aangevoerde gronden tot de volgende beoordeling.
4.1. Door appellante is in hoger beroep uitsluitend betoogd dat het College heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door bij de vaststelling van de maandelijks te verrekenen inkomsten uit verhuur uit te gaan van een hoger huurbedrag dan het in de brief van 6 december 2006 genoemde bedrag van € 380,-- per maand.
4.2. Naar het oordeel van de Raad faalt dit betoog. Zoals de Raad herhaaldelijk tot uitdrukking heeft gebracht kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen, indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van de betrokkene uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. In de onder 1.2 genoemde brief ziet de Raad geen aanleiding het beroep op het vertrouwensbeginsel te honoreren, reeds omdat de in die brief aangeduide situatie (die zag op het niet tijdig aanleveren van gegevens) in dit geval niet aan de orde was.
4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2010.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) N.M. van Gorkum.
AV