ECLI:NL:CRVB:2010:BN0233
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als kassamedewerkster, werd door het UWV op 1 oktober 2007 geïnformeerd dat zij geen recht had op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Het UWV baseerde dit op de beoordeling dat zij weliswaar beperkingen had, maar geschikt was voor andere functies met een vergelijkbare loonwaarde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende onderbouwing boden voor het besluit. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen, met name door incontinentie en bekkenklachten, onvoldoende waren meegewogen en dat zij niet in staat was de geselecteerde functies adequaat te vervullen.
De Raad oordeelde dat het verzoek om het urologisch onderzoek af te wachten niet werd gehonoreerd, omdat dit geen invloed zou hebben op de belastbaarheid. Ook achtte de Raad de motivering van de bezwaararbeidsdeskundige begrijpelijk en voldoende, en verwierp de stellingen over onvoldoende rekening houden met de medische beperkingen en computervaardigheden.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd.