ECLI:NL:CRVB:2010:BN0365
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over verhoging vordering met wettelijke rente en invorderingskosten
Appellant ontving een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Het UWV had een bedrag teruggevorderd wegens onverschuldigd betaalde uitkering over een bepaalde periode. Na eerdere procedures verhoogde het UWV de vordering met wettelijke rente en invorderingskosten. Appellant stelde bezwaar tegen deze verhoging, dat ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de verhoging ongegrond. In hoger beroep stond enkel het oordeel over deze verhoging centraal. De Raad oordeelde dat de verhoging in overeenstemming is met de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de artikelen 63 tot en met 65 van de WAZ en de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen.
Appellant voerde aan dat hij slechts de helft van de restschuld ineens aan de deurwaarder hoefde te betalen, maar de Raad bevestigde dat dit niet correct was en dat appellant ook invorderingskosten verschuldigd was. Verder werd het beroep op artikel 6 EVRM Pro verworpen wegens gebrek aan onderbouwing. Ook was appellant uitgenodigd voor een hoorzitting, maar hij had daarvan afgezien.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2010.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot verhoging van de vordering met wettelijke rente en invorderingskosten en verklaart het hoger beroep ongegrond.