ECLI:NL:CRVB:2010:BN1002
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- K.J. Kraan
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies werknemerschap door volledige zelfstandige werkzaamheden met eigen paarden
Appellant ontving vanaf december 2005 een WW-uitkering wegens verlies van arbeidsuren. Vanaf april 2006 kreeg hij een oriëntatieperiode zelfstandigen toegekend. Vanaf november 2006 verrichtte appellant werkzaamheden als zelfstandige, waaronder het verzorgen en trainen van paarden van derden en eigen paarden. Het UWV stelde vast dat appellant volledig als zelfstandige werkte en trok de WW-uitkering per november 2006 in, gevolgd door terugvordering.
De rechtbank oordeelde dat de werkzaamheden met eigen paarden niet als hobby konden worden gezien, maar als arbeid in het economisch verkeer. Appellant verloor daarmee zijn werknemerschap. Zijn stelling dat hij begin 2007 zijn eigen paarden had verkocht en hobbywerkzaamheden had gestaakt, werd verworpen omdat hij niet volledig was gestopt met zelfstandige werkzaamheden.
In hoger beroep voerde appellant onder meer suggestieve vraagstelling en onjuiste kwalificatie van hobbywerkzaamheden aan. De Raad stelde vast dat de verklaring tegenover opsporingsambtenaren geldig was en dat appellant zich als zelfstandige presenteerde. De verzorging en training van eigen paarden behoorden tot zijn bedrijf. Ook uren voor administratie, acquisitie en reistijd moesten worden opgegeven. De Raad bevestigde dat appellant vanaf november 2006 volledig als zelfstandige werkte en geen recht meer had op WW-uitkering. Het beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellant sinds 20 november 2006 volledig als zelfstandige werkzaam is en geen recht meer heeft op WW-uitkering.