ECLI:NL:CRVB:2010:BN1281

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6202 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift tegen weigering WIA-uitkering wegens termijnoverschrijding

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 5 augustus 2008 waarin haar een WIA-uitkering werd geweigerd. Dit bezwaar werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend. De rechtbank heeft dit oordeel bevestigd en de Raad voor Rechtspraak heeft het hoger beroep van appellante ongegrond verklaard.

De kern van het geschil betrof de vraag wanneer het besluit van 5 augustus 2008 aan appellante bekend is gemaakt en daarmee de bezwaartermijn is ingegaan. Appellante stelde het besluit pas op 10 september 2008 te hebben ontvangen, maar de Raad oordeelde dat dit ongeloofwaardig was. Uit e-mailcorrespondentie bleek dat haar maatschappelijk werker op 8 september 2008 al contact had opgenomen met het UWV over het indienen van bezwaar, wat impliceert dat het besluit eerder was ontvangen.

De Raad concludeerde dat het besluit daadwerkelijk op 5 augustus 2008 is verzonden en dat de bezwaartermijn op 6 augustus 2008 is aangevangen. Aangezien het bezwaarschrift pas op 17 september 2008 was ingediend, was dit te laat. Er waren geen gronden voor een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarom werd het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de weigering van een WIA-uitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

09/6202 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 oktober 2009, 08/3088 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2010. Appellante is verschenen met bijstand van mr. drs. A. Boumanjal, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 5 augustus 2008 heeft het Uwv geweigerd appellante per 3 september 2008 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen te verlenen. Dit besluit rust op onderzoeken van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. Aan het eind van het besluit van 5 augustus 2008 is vermeld dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt voor 17 september 2008. Het bezwaar van appellante, dat is vervat in een brief van 17 september 2008, tegen het besluit van 5 augustus 2008 is bij besluit van 21 oktober 2008 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 21 oktober 2008 ongegrond verklaard.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 30 september 2003, LJN AM0355, dient - in geval van toezending van een besluit - voor de vaststelling dat aan de wettelijke voorwaarden voor het aanvangen van de bezwaartermijn is voldaan, zowel de verzending als de aanbieding van de zending (aan het juiste adres) vast te staan dan wel voldoende aannemelijk te zijn gemaakt.
Daarbij geldt dat niet is uitgesloten dat ook langs andere weg dan aangetekende verzending per TNT Post kan worden aangetoond dan wel voldoende aannemelijk gemaakt dat aan deze vereisten is voldaan.
3.3. Het besluit van 5 augustus 2008 is niet aangetekend via TNT Post verzonden en het Uwv erkent dat er geen bewijs is dat het besluit op 5 augustus 2008 is verzonden. Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van 5 augustus 2008 aan het adres van appellante is verzonden en dat zij dit besluit heeft ontvangen. Daarmee is gegeven dat aan de wettelijke voorwaarden voor het aanvangen van de bezwaartermijn is voldaan.
3.4. Het Uwv heeft betoogd dat besluiten als dat van 5 augustus 2008 uitsluitend worden verzonden op de datum die in de aanhef van dat besluit is vermeld. De bezwaartermijn is volgens het Uwv dan ook op 6 augustus 2008 aangevangen. Naar de mening van appellante kan 6 augustus 2008 niet als ingangsdatum van de bezwaartermijn dienen omdat zij dat besluit pas veel later heeft ontvangen.
3.5. Er bestaat eerst aanleiding om te veronderstellen dat het besluit later dan op 5 augustus 2008 is verzonden als sprake is van een niet ongeloofwaardige ontkenning door appellante van de ontvangst ervan op 6 augustus 2008. In die situatie ligt het op de weg van het Uwv om aannemelijk te maken dat het besluit op 5 augustus 2008 is verzonden. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 september 2009, LJN BJ9623. De Raad stelt vast dat appellante zich in haar bezwaarschrift niet heeft uitgelaten over de dag waarop zij het besluit van 5 augustus 2008 heeft ontvangen. Desgevraagd heeft zij het Uwv bij brief van 20 oktober 2008 meegedeeld dat zij niet beter weet dan dat zij dat besluit “vlak voor (maximaal één week) indiening van het bezwaarschrift” heeft ontvangen. Ter zitting van de rechtbank heeft appellante gesteld dat zij het besluit op 10 september 2008 heeft ontvangen. De Raad stelt vast dat dit niet juist kan zijn. Uit een door het Uwv overgelegd e-mailbericht blijkt dat de maatschappelijk werker van appellante, Van Rijn, zich op (maandag) 8 september 2008 voor 11.00 uur telefonisch tot het Uwv heeft gewend met het verzoek hem het verslag van de verzekeringsarts te sturen in verband met het indienen van een bezwaarschrift. Uit een met de hand geschreven notitie op dat e-mailbericht blijkt voorts dat Van Rijn bezwaar zal maken. De Raad leidt uit die informatie af dat appellante het besluit van 5 augustus 2008 al eerder dan op 10 september 2008 heeft ontvangen. Er is dus sprake is van een ongeloofwaardige ontkenning door appellante van de ontvangst van het desbetreffende besluit op 6 augustus 2008. Onder deze omstandigheden gaat de Raad ervan uit dat het besluit daadwerkelijk op 5 augustus 2008 is verzonden.
3.6. Gelet op hetgeen onder 3.5 is overwogen wordt als vaststaand aangenomen dat de termijn voor het maken van bezwaar is aangevangen op 6 augustus 2008. De laatste dag waarop een bezwaarschrift kon worden ingediend was op 16 september 2008. Aangezien het bezwaarschrift gedagtekend is 17 september 2008 en het op die datum per fax en per post is verzonden, stelt de Raad vast dat ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift de termijn om bezwaar te maken was verstreken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb. De argumenten van appellante daaromtrent hebben alle betrekking op haar stelling dat in haar geval een tijdspanne van een week te kort is om een bezwaarschrift naar behoren op te stellen. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 augustus 2008, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, terecht niet-ontvankelijk verklaard.
3.7. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
4. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M.A. van Amerongen.
RK