ECLI:NL:CRVB:2010:BN1383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel verlaging bijstand wegens onvoldoende werkzoekgedrag
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een periode van werkaanvaarding en ontslag werd aan appellant bijstand toegekend met een maatregel waarbij de uitkering met 50% werd verlaagd wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie.
Het College van burgemeester en wethouders van Haarlem handhaafde deze maatregel na heroverweging binnen de wettelijke termijn van drie maanden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de heroverweging onjuist was beperkt tot een periode van drie maanden en dat latere omstandigheden, zoals de werkaanvaarding van zijn partner, meegewogen hadden moeten worden.
De Raad oordeelde dat de beoordelingsperiode voor heroverweging wettelijk is beperkt tot maximaal drie maanden na oplegging van de maatregel, omdat de maatregel gericht is op gedragsbeïnvloeding binnen die termijn. De Raad stelde vast dat appellant in de relevante periode geen actieve houding had aangenomen bij het zoeken naar werk en dat de maatregel daarom terecht in stand is gelaten.
Verder werd geoordeeld dat de verlaging van de bijstand geen punitieve sanctie is in de zin van het EVRM. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Haarlem werd bevestigd en de proceskosten werden niet aan appellant opgelegd.
Uitkomst: De maatregel tot verlaging van de bijstand met 50% wegens onvoldoende werkzoekgedrag wordt bevestigd.