ECLI:NL:CRVB:2010:BN1404
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellante, die sinds 1983 een WAO-uitkering ontving wegens psychische klachten, kreeg deze uitkering per 1 augustus 2007 beëindigd nadat het UWV vaststelde dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was. Na bezwaar en aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek werden functies passend bevonden die appellante volgens het UWV kon verrichten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond, waarbij werd overwogen dat de medische rapportages zorgvuldig tot stand waren gekomen en er geen aanwijzingen waren dat haar beperkingen waren onderschat.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen over onvoldoende aandacht voor haar medische klachten, waaronder hernia en longlitteken, en stelde dat zij de voorgestelde functies niet kon verrichten. De Raad overwoog dat de medische diagnoses niet eenduidig waren en dat er geen aanwijzingen waren voor ernstige longaandoeningen of radiculaire prikkeling. De Raad onderschreef de rechtbank dat de functies medisch passend zijn en dat de beperkingen van appellante niet zwaarder zijn dan vastgesteld.
Het hoger beroep slaagde niet en de Raad bevestigde de aangevallen uitspraak. Tevens werd het verzoek tot schadevergoeding afgewezen omdat geen gronden aanwezig waren voor vergoeding van proceskosten of andere schade.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de WAO-uitkering bevestigd.