ECLI:NL:CRVB:2010:BN2196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- H.G. Rottier
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Geen nieuw recht op WW-uitkering wegens niet-verplichte extra gewerkte uren
Appellant werkte sinds 2000 als procesoperator en had recht op een WW-uitkering vanaf mei 2004. Hij gaf aan in weekenden extra uren te hebben gewerkt als EHBO-er, maar het UWV stelde dat deze uren niet verplicht waren en niet inherent aan zijn functie.
Na bezwaar en beroep bevestigde de rechtbank het standpunt van het UWV dat de extra uren niet meetellen voor de WW-uitkering. Appellant stelde dat er mondelinge afspraken waren en dat het UWV onjuiste informatie had verstrekt, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuw recht op WW-uitkering had omdat hij niet aantoonde dat de extra uren onderdeel waren van zijn arbeidsovereenkomst of dat er een verplichting bestond om deze uren te werken. Ook was er geen beroep op het vertrouwensbeginsel mogelijk.
De uitspraak bevestigt dat overwerk alleen buiten beschouwing kan worden gelaten als het niet verplicht is en niet inherent aan de functie, conform artikel 4a van de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak, zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Appellant krijgt geen nieuw recht op WW-uitkering omdat de extra uren niet verplicht waren en niet inherent aan zijn functie.