ECLI:NL:CRVB:2010:BN2199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- H.G. Rottier
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet
Appellante werd op 16 augustus 2003 op staande voet ontslagen wegens ongeoorloofde afwezigheid en vroeg daarop een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering blijvend wegens verwijtbare werkloosheid. Na diverse procedures, waaronder een vernietiging van een eerder vonnis door het Gerechtshof ’s-Gravenhage dat de werkgever veroordeelde tot betaling van loon over een deel van de periode, vroeg appellante opnieuw een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde opnieuw, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond, hetgeen appellante in hoger beroep aanvocht. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het arrest van het Gerechtshof weliswaar een nieuw feit oplevert, maar dat dit niet leidt tot herziening van de eerdere besluiten van het UWV. Het ontslag op staande voet bleef rechtsgeldig en de verwijtbare werkloosheid stond vast.
De Raad benadrukte dat het UWV bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te beoordelen, maar dat dit niet leidt tot een volledige toetsing als een oorspronkelijk besluit. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet.