ECLI:NL:CRVB:2010:BN2475
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.F. Bandringa
- E.J.M. Heijs
- Rechtspraak.nl
Vaststelling fictief inkomen en intrekking bijstand bij toekenning persoonsgebonden budget
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant is volledig arbeidsongeschikt en afhankelijk van zorg, die aanvankelijk door appellante (echtgenote) werd verleend en later door diens broer. Het College trok de bijstand in en vorderde terug wegens het niet melden van een toegekend persoonsgebonden budget (PGB).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, stellende dat het PGB als inkomen moest worden aangemerkt en appellanten daardoor geen recht hadden op bijstand. In hoger beroep betwistten appellanten dat het PGB als inkomen moest gelden over de gehele periode en voerden zij aan dat zij niet bewust waren van de inlichtingenplicht.
De Raad maakte onderscheid tussen de periode tot 1 januari 2006, waarin appellante als zorgverlener was aangewezen en feitelijk over het PGB kon beschikken, en de periode daarna waarin de broer zorgverlener was. Voor de eerste periode was het PGB als inkomen aan te merken en rechtvaardigde intrekking en terugvordering. Voor de tweede periode was slechts een deel van het PGB als fictief inkomen aan appellante toe te rekenen, waardoor het besluit tot intrekking en terugvordering onjuist was. De Raad vernietigde het besluit voor die periode en bepaalde dat het College een nieuw besluit moet nemen. Tevens veroordeelde de Raad het College in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over 1 januari tot 11 december 2006 wordt vernietigd.