ECLI:NL:CRVB:2018:2895
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW-uitkering en toeslag wegens inkomsten uit pgb
Appellante was onder beschermingsbewind geplaatst en ontving vanaf oktober 2014 een WW-uitkering en toeslag. Ondanks een verklaring van haar bewindvoerder aan het Uwv, bleef zij inkomsten ontvangen uit een persoonsgebonden budget (pgb) voor haar zoon. Het Uwv herzag daarop de uitkering en toeslag over twee perioden en vorderde onverschuldigde bedragen terug.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het Uwv verklaarde deze ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zij ten onrechte of te veel uitkering ontving, mede omdat nalatigheid van de bewindvoerder voor haar rekening komt. De Raad onderschreef dit oordeel en benadrukte dat de zorgverlening via het pgb als op geld waardeerbare arbeid geldt.
Appellante voerde aan dat de zorg moederlijke en onbezoldigde zorg betrof en dat er een dringende reden was om terugvordering achterwege te laten vanwege dreigende beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De Raad verwierp deze argumenten, stelde dat het Uwv verplicht was tot herziening en terugvordering en dat de omstandigheden geen dringende reden boden om daarvan af te zien.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; herziening en terugvordering van WW-uitkering en toeslag bevestigd.