ECLI:NL:CRVB:2010:BN2888
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verhoging WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft verzocht om verhoging van haar WAO-uitkering op grond van vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid vanaf november 2006. Het UWV wees dit verzoek af omdat de vermeende toename niet binnen vijf jaar na de eerdere herziening van de uitkering lag en er geen objectieve medische onderbouwing was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat er geen aanwijzingen waren voor een toename van de arbeidsongeschiktheid. In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verklaringen van behandelaars en bedrijfsarts geen bewijs leverden voor een toename.
Appellante kon haar gewijzigde standpunt over de datum van toegenomen arbeidsongeschiktheid niet met objectieve medische stukken onderbouwen. Ook het bezwaar dat het UWV onvoldoende informatie had ingewonnen bij de psychiater faalde, aangezien de psychiater slechts summiere informatie gaf. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van het verzoek tot verhoging van de WAO-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot verhoging van de WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs van toegenomen arbeidsongeschiktheid.