ECLI:NL:CRVB:2010:BN5167
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WAZ-uitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellant heeft in de periode van 1 september 1998 tot 4 november 2006 werkzaamheden verricht bij twee bedrijven en daarbij meer inkomsten ontvangen dan aan het UWV is gemeld. Na een intern onderzoek en een rapport werknemersfraude heeft het UWV besloten de uitkering over deze periode niet uit te betalen en de uitkering per 1 september 2001 in te trekken. Tevens werd een bedrag van €66.097,51 teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij onder meer werd gewezen op verklaringen van de echtgenote van appellant en andere getuigen die het standpunt van het UWV ondersteunden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte summiere verklaringen van zijn echtgenote had gevolgd en dat hij medisch gezien niet in staat was geweest de werkzaamheden te verrichten.
De Raad overweegt dat het rapport werknemersfraude en de verklaringen, waaronder die van appellant en zijn echtgenote, voldoende aannemelijk maken dat appellant meer heeft gewerkt en verdiend dan gemeld. De medische bezwaren en andere getuigenverklaringen leiden niet tot een ander oordeel. De Raad bevestigt daarom het besluit van het UWV om de uitkering niet uit te betalen, in te trekken en de teveel betaalde bedragen terug te vorderen. Er zijn geen redenen om af te zien van terugvordering of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAZ-uitkering en de terugvordering van onverschuldigde betalingen wegens schending van de inlichtingenplicht.