ECLI:NL:CRVB:2010:BN6382
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- T. Hoogenboom
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek overneming betalingsverplichting werkgever vakantierechten
Betrokkene was van april 2002 tot december 2003 in dienst bij een werkgever die niet tijdig de vakantierechten betaalde. Na een vonnis van de kantonrechter in juni 2004 en meerdere achterstandmeldingen, stelde betrokkene het UWV in mei 2005 op de hoogte van betalingsonmacht van de werkgever. Het verzoek tot faillietverklaring werd afgewezen omdat de vordering was voldaan. Betrokkene vroeg vervolgens in 2006 het UWV om de betalingsverplichting over te nemen.
Het UWV wees dit verzoek af omdat de vordering volgens hen was voldaan en de aanvraag te laat was ingediend. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende onderzoek en onjuiste beoordeling van de tijdigheid van de aanvraag. Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat het onderzoek niet nodig was en dat de aanvraag te laat was.
De Raad oordeelde dat tussen de eerste achterstandmelding in juli 2003 en het intreden van betalingsonmacht in 2005 ruim anderhalf jaar lag, waarin de werkgever nog betalingen deed. Hierdoor was het niet aannemelijk dat de vordering uitsluitend vanwege de betalingsonmacht niet kon worden ingediend. Daarom was het UWV terecht geweigerd de vordering over te nemen. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het UWV een nieuw besluit moest nemen en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit van 18 juni 2008 in stand blijven. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot overneming van de betalingsverplichting van de werkgever inzake vakantierechten is terecht afgewezen wegens te late aanvraag.