ECLI:NL:CRVB:2010:BN7833
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering wegens onvolledige informatie over eigendom onroerend goed in Turkije
Appellanten ontvingen vanaf 1985 een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In het kader van een aanvraag voor schuldhulpverlening kwam naar voren dat appellanten onroerend goed in Turkije bezaten, wat niet was opgegeven. Het College stelde daarop een onderzoek in en besloot de bijstand over de periode van 1 januari 1987 tot en met 31 december 2004 te herzien en terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen het besluit van het College deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk. De Centrale Raad van Beroep vernietigde eerdere uitspraken en bepaalde dat het College bevoegd was om de terugvordering over de periode waarin onvolledige of onvoldoende controleerbare informatie was verstrekt (periode 3) uit te voeren.
Appellanten voerden aan dat zij geen eigenaar waren van het huis in Turkije en dat het teruggevorderde bedrag hoger was dan de waarde van het huis. De Raad stelde echter vast dat deze kwestie reeds definitief was beslist en niet opnieuw aan de orde kon komen. Het College had redelijkerwijs gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om tot volledige terugvordering over te gaan, conform het geldende beleid. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van dit beleid rechtvaardigden.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand over de periode waarin appellanten onvolledige informatie over eigendom van onroerend goed in Turkije verstrekten.