ECLI:NL:CRVB:2010:BN7959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over herleving werkloosheidsuitkering en woonplaatsvereiste binnen EU-recht
Appellante, met Nederlandse nationaliteit, werkte in Nederland en ontving een WW-uitkering. Na ziekte en een WAO-uitkering verhuisde zij in 2002 naar Duitsland, nabij de grens. Na intrekking van haar WAO-uitkering vroeg zij opnieuw WW aan, maar het UWV weigerde dit op grond van het woonplaatsvereiste in artikel 19 WW Pro, omdat zij niet meer in Nederland woonde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het recht op WW-uitkering niet herleeft als de woonplaats buiten Nederland is. Appellante stelde dat dit in strijd is met EU-recht, met name de artikelen 45 en 21 VWEU en Verordening 1408/71, en dat zij zich sociaal-economisch op Nederland richt.
De Raad constateert dat artikel 71 van Pro Verordening 1408/71 strikt genomen niet van toepassing is, maar erkent de bijzondere situatie van appellante die na laatste werkzaamheden en tijdens arbeidsongeschiktheid verhuisde. Gezien haar nauwe banden met Nederland en het feit dat zij zich op de Nederlandse arbeidsmarkt richt, is onduidelijk of het woonplaatsvereiste evenredig is.
Daarom legt de Raad prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 71 van Pro Verordening 1408/71 en de verenigbaarheid van het woonplaatsvereiste met de artikelen 45 en 21 VWEU.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie EU en houdt de zaak aan.