ECLI:NL:CRVB:2011:BR4029
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens gebrek aan procesbelang en heropening onderzoek naar redelijke termijn
Appellante diende op 7 oktober 2004 een aanvraag in voor een WW-uitkering, die door het UWV op 13 oktober 2004 werd afgewezen wegens onbevoegdheid. Na bezwaar en beroep werd deze beslissing gehandhaafd, waarna appellante in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep.
Tijdens de procedure stelde de Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, maar trok deze later in. Op 13 december 2010 wijzigde het UWV haar beslissing en erkende het recht op WW-uitkering over de periode van 7 oktober 2004 tot en met 23 mei 2005, inclusief nabetaling en wettelijke rente.
Gezien deze gewijzigde beslissing concludeert de Raad dat appellante geen belang meer heeft bij het hoger beroep en verklaart dit niet-ontvankelijk. Wel wordt het onderzoek heropend om een nadere uitspraak te doen over een schadevergoeding wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep, begroot op € 2.254,--, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De Staat der Nederlanden wordt als partij betrokken in de vervolgprocedure over de redelijke termijn.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang na gewijzigde beslissing van het UWV.