ECLI:NL:CRVB:2010:BN8032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J. Riphagen
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet tijdige aanvraag en geen bijzonder geval
Appellant was sinds september 2003 arbeidsongeschikt en heeft vanaf 2005 diverse uitkeringen aangevraagd, waaronder een WW-uitkering voor de periode van oktober 2005 tot maart 2006. Het UWV weigerde de WW-uitkering omdat appellant niet beschikbaar was voor werk en de aanvraag niet tijdig was ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het standpunt van het UWV onderschreef dat geen sprake was van een bijzonder geval.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij meerdere malen een WW-uitkering had aangevraagd en dat het UWV hem onterecht geen aanvraagformulieren had verstrekt. De Raad stelde vast dat het UWV de aanvraag ten onrechte had getoetst aan een verkeerde wetsbepaling, maar dat dit geen aanleiding gaf om de uitspraak te vernietigen. De kernvraag was of er een bijzonder geval was dat afwijking van de termijn rechtvaardigde.
De Raad concludeerde dat appellant zich weliswaar had ingeschreven als werkzoekende, maar geen aanvraag had ingediend vanwege onduidelijkheid over het dienstverband en daarna niet meer bij het CWI was verschenen. Appellant maakte zijn stelling dat hij wel meerdere aanvragen had gedaan niet aannemelijk. Er waren geen omstandigheden die een bijzonder geval konden rechtvaardigen. Daarom was het UWV niet bevoegd om af te wijken van de wettelijke termijn en werd het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WW-uitkering wordt bevestigd.