ECLI:NL:CRVB:2010:BN8032

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1029 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 WW (oud)Art. 35 WWArt. 130 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet tijdige aanvraag en geen bijzonder geval

Appellant was sinds september 2003 arbeidsongeschikt en heeft vanaf 2005 diverse uitkeringen aangevraagd, waaronder een WW-uitkering voor de periode van oktober 2005 tot maart 2006. Het UWV weigerde de WW-uitkering omdat appellant niet beschikbaar was voor werk en de aanvraag niet tijdig was ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het standpunt van het UWV onderschreef dat geen sprake was van een bijzonder geval.

In hoger beroep betoogde appellant dat hij meerdere malen een WW-uitkering had aangevraagd en dat het UWV hem onterecht geen aanvraagformulieren had verstrekt. De Raad stelde vast dat het UWV de aanvraag ten onrechte had getoetst aan een verkeerde wetsbepaling, maar dat dit geen aanleiding gaf om de uitspraak te vernietigen. De kernvraag was of er een bijzonder geval was dat afwijking van de termijn rechtvaardigde.

De Raad concludeerde dat appellant zich weliswaar had ingeschreven als werkzoekende, maar geen aanvraag had ingediend vanwege onduidelijkheid over het dienstverband en daarna niet meer bij het CWI was verschenen. Appellant maakte zijn stelling dat hij wel meerdere aanvragen had gedaan niet aannemelijk. Er waren geen omstandigheden die een bijzonder geval konden rechtvaardigen. Daarom was het UWV niet bevoegd om af te wijken van de wettelijke termijn en werd het hoger beroep afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WW-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

09/1029 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (België), (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2009, 08/966 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 september 2010.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door S.M. Westmaas.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 15 september 2003 uitgevallen uit zijn werk als medewerker bij [naam werkgever] (hierna: werkgever). Met ingang van 13 september 2004 heeft hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd. Deze is hem geweigerd op de grond dat hij per 13 september 2004 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. De werkgever heeft het loon van appellant doorbetaald tot 1 augustus 2005, waarna appellant zich in september 2005 heeft gemeld bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) voor het doen van een aanvraag ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Hem is toen geen aanvraagformulier uitgereikt, omdat er onduidelijkheid bestond over de beëindiging van zijn dienstbetrekking. Op 11 oktober 2005 heeft appellant zich ziekgemeld bij het CWI in verband met een ziekenhuisopname. Hij heeft tevens per die datum een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) aangevraagd. Deze is hem geweigerd bij besluit van 14 februari 2006. Deze weigering is met de uitspraak van de Raad van 28 juli 2010, LJN BN2808, rechtens onaantastbaar geworden. Met ingang van 10 maart 2006 is appellant hersteld verklaard. Bij vonnis van 21 november 2005 heeft de kantonrechter de werkgever veroordeeld tot het doorbetalen van loon aan appellant over de periode van 1 augustus 2005 tot 11 oktober 2005.
1.2. Appellant heeft op 24 september 2007 een WW-uitkering aangevraagd over de periode van 11 oktober 2005 tot 10 maart 2006. Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft het Uwv appellant het recht op een WW-uitkering met ingang van 11 oktober 2005 ontzegd op de grond dat zijn dienstbetrekking op dat moment niet was beëindigd en hij bovendien ziek was. Bij besluit van 6 februari 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 oktober 2007 onder wijziging van de motivering ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich in het bestreden besluit primair op het standpunt gesteld dat appellant met ingang van 11 oktober 2005 niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering omdat hij toen niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden en daarom niet werkloos was in de zin van de WW en subsidiair omdat hij de aanvraag niet had ingediend binnen 26 weken na de periode waarop zij betrekking had. Het Uwv heeft hierbij toepassing gegeven aan artikel 35 van Pro de WW.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het subsidiaire standpunt van het Uwv onderschreven. De rechtbank achtte geen bijzonder geval aanwezig als bedoeld in artikel 35, tweede volzin, van de WW. Daartoe overwoog de rechtbank dat tot 14 februari 2006 (de datum waarop ziekengeld werd geweigerd) weliswaar een onduidelijke situatie bestond over appellants aanspraken op een uitkering dan wel loon, maar dat op 14 februari 2006 voor appellant duidelijk was dat hij noch op loon, noch op een uitkering ingevolge de ZW dan wel de WW aanspraak kon maken, terwijl hij toen om onduidelijke redenen nog ruim anderhalf jaar heeft gewacht met het indienen van een WW-aanvraag.
3. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen bijzonder geval aanwezig heeft geacht. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat hij vanaf september 2005 meermalen een WW-uitkering heeft aangevraagd, maar dat deze aanvragen ten onrechte steeds niet in behandeling zijn genomen. Verder heeft het Uwv naar zijn mening ten onrechte nagelaten hem formulieren voor het aanvragen van een WW-uitkering toe te sturen na het besluit van 14 februari 2006 tot weigering van een ZW-uitkering.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Appellant heeft een WW-uitkering aangevraagd met ingang van 11 oktober 2005. Uit artikel 130, eerste lid, van de WW, zoals die luidt met ingang van 1 oktober 2006, volgt dat de aanvraag van appellant moet worden beoordeeld naar de bepalingen van de WW, zoals die vóór 1 oktober 2006 luidde. Ingevolge artikel 23 van Pro de WW (oud) kan het recht op uitkering niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste volzin.
4.2. De Raad stelt vast dat het Uwv de aanvraag van appellant ten onrechte heeft getoetst aan artikel 35 van Pro de WW, zoals die luidt met ingang van 1 oktober 2006. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad ziet echter geen aanleiding om de aangevallen uitspraak om deze reden te vernietigen, nu artikel 35 van Pro de WW is essentie overeenkomt met de uitleg die de Raad in zijn uitspraak van 3 mei 1994, LJN ZB2999, aan artikel 23 van Pro de WW (oud) heeft gegeven.
4.3. Niet betwist is dat appellant zijn aanvraag niet binnen 26 weken na 11 oktober 2005 heeft ingediend. Het geschil tussen partijen betreft uitsluitend de vraag of sprake is van een bijzonder geval.
4.4. De Raad beantwoordt deze vraag met de rechtbank en het Uwv ontkennend. Uit informatie die het CWI bij brief van 11 januari 2008 heeft verstrekt aan het Uwv blijkt dat appellant zich op 23 september 2005 bij het CWI heeft ingeschreven als werkzoekende. Hij heeft toen geen WW-uitkering aangevraagd in verband met onduidelijkheid over de beëindiging van zijn dienstverband en is daarna niet meer op het kantoor van het CWI geweest. Deze informatie komt overeen met de informatie die de gemachtigde van appellant op 4 december 2007 telefonisch had verstrekt aan een medewerker van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Appellant heeft zijn in 3 weergegeven andersluidende standpunt niet aannemelijk gemaakt. Ook anderszins is de Raad niet gebleken van omstandigheden die tot het oordeel leiden dat sprake is van een bijzonder geval. Het Uwv was derhalve niet bevoegd om af te wijken van artikel 23 van Pro de WW (oud).
5. Op grond van 4.4 komt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J. Riphagen en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2010.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) D.E.P.M. Bary.
IvR