ECLI:NL:CRVB:2010:BN8688
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding vermogensgrens en niet aannemelijke schulden
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) na haar echtscheiding, waarbij het vermogen definitief moest worden vastgesteld vanwege een aandeel in een onverdeelde boedel. Nadat zij een bedrag uit de verkoop van de woning had ontvangen, stelde het College vast dat haar vermogen de vermogensgrens overschreed en vorderde terugbetaling van de bijstand.
De rechtbank vernietigde een eerdere beslissing van het College vanwege onvoldoende onderzoek naar de door appellante gestelde schulden bij haar voormalige schoonvader. Na nader onderzoek handhaafde het College de terugvordering, maar stelde het bedrag bij omdat de schulden onvoldoende aannemelijk waren gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat schulden bij vermogensvaststelling alleen in aanmerking worden genomen indien het bestaan en de terugbetalingsverplichting voldoende aannemelijk zijn. De door appellante overgelegde verklaringen waren niet objectief of verifieerbaar, en de Raad oordeelt dat het College terecht de schulden buiten beschouwing liet.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens bevestigd.